Direct naar inhoud

Inzichten

Nieuwsbrief Prinsjesdag 2025

Prinsjesdag
Inzichten

19 september 2025

10 minuten leestijd

Prinsjesdag 2025

Op Prinsjesdag 2025 zijn het Belastingplan voor 2026 en overige wijzigingen bekend gemaakt. Hieronder treft u een selectie van de voornaamste punten voor de vastgoedpraktijk, aangevuld met wijzigingen waartoe al voorafgaand aan Prinsjesdag is besloten.

Voorgestelde wijzigingen op Prinsjesdag

Verlenging tijdelijk overgangsrecht fondsen voor gemene rekening Met ingang van 1 januari 2025 is de definitie van het fonds voor gemene rekening (fgr) voor de vennootschapsbelasting gewijzigd, waardoor onder meer ook samenwerkingsverbanden – zoals een commanditaire vennootschap die belegt in vastgoed – vennootschapsbelastingplichtig (niet langer fiscaal transparant) zouden kunnen worden als niet voor eind 2025 de zogenaamde “inkoopvariant” is opgenomen in de fonds(vervreemdings)voorwaarden (bijvoorbeeld in de overeenkomst van commanditaire vennootschap). Het kabinet geeft aan dat deze definitie – op zijn vroegst per 1 januari 2027 – mogelijk weer zal worden gewijzigd, aangezien er een aantal knelpunten kleven aan de nieuwe definitie. Het kabinet stelt in dit kader voor om een overgangsmaatregel in te voeren waarmee de fondsen die vanaf 1 januari 2025 worden aangemerkt als fgr ervoor kunnen kiezen om de fiscaal (transparante) behandeling zoals die gold tot en met 31 december 2024 voort te zetten totdat de mogelijke nieuwe definitie in werking treedt (het uitgangspunt is dat de overgangsmaatregel uiterlijk geldt tot 1 januari 2028).

Voorwaarde voor toepassing van het nieuwe overgangsrecht is dat door het fonds vóór 28 februari 2026 wordt gekozen voor toepassing van het overgangsrecht en dat de participanten uiterlijk op 28 februari 2026 – schriftelijk – instemmen met deze keuze. Het fonds maakt zijn keuze om geen gebruik te maken van het overgangsrecht kenbaar door zich als fgr aan te melden bij de Belastingdienst en dus als fgr/lichaam aangifte vennootschapsbelasting te doen over 2025.

Ook fondsen die niet voldoen aan de vereisten van het eerder geldende/gepubliceerde overgangsrecht (i.e. voornemen de fondsvoorwaarden aan te passen met een zogenoemde inkoopvariant) kunnen kiezen om het voorgestelde overgangsrecht toe te passen. Dit is bijvoorbeeld het geval als zij weliswaar vóór 1 januari 2025 wel hun voornemen kenbaar hebben gemaakt om hun fondsvoorwaarden aan te passen, maar zij de voorwaarden m.b.t. vervreemding (de inkoopvariant) voor hun bewijzen van deelgerechtigdheid niet vóór 1 januari 2026 hebben aangepast. In dergelijke gevallen wordt aangenomen dat de participanten bekend zijn met de fiscale transparantie van het fonds en hoeven zij geen nadere actie te ondernemen om kenbaar te maken dat zij instemmen met de keuze van het fonds. Het overgangsrecht refereert – met name – aan de vennootschapsbelastingplicht, onze verwachting is dat het overgangsrecht ook doorgetrokken kan worden naar bijvoorbeeld de dividendbelasting.

Actiepunt: Als uiterlijk eind 2024 het voornemen tot invoering van de inkoopvariant in kalenderjaar 2025 is vastgelegd maar het fonds deze variant nog niet daadwerkelijk heeft geïmplementeerd en in 2025 niet zal implementeren kan de fiscale transparantie ook zonder deze implementatie in ieder geval voor de jaren 2025 en 2026 (en 2027) worden behouden. Indien eind 2024 niet is besloten tot de opname van een inkoopvariant in de fondsvoorwaarden dan kan voor 2025 en 2026 (en 2027) de fiscale transparantie behouden blijven indien de participanten in het fonds uiterlijk op 28 februari 2026 instemmen met de toepassing van het (voorgestelde) overgangsrecht/het behoudt van de fiscale transparantie.

Wijziging lucratief belangregeling in box 2 Het kabinet beoogt voordelen uit indirect (via een holding) gehouden lucratieve belangen van met name “private equity” managers (maar ook bijvoorbeeld assetmanagers en/of initiatiefnemers die recht hebben op een “extra winstaandeel”) zwaarder te belasten. Onder de huidige wetgeving worden voordelen uit indirect gehouden lucratieve belangen slechts belast in box 2 (aanmerkelijk belangtarief) als deze in hetzelfde belastingjaar voor ten minste 95% worden doorbetaald als dividend naar de aandeelhouder/natuurlijk persoon; deze voordelen worden alsdan niet (ook) in box 1 (progressieve tarief inkomstenbelasting) betrokken als voordeel uit lucratief belang. Het kabinet stelt voor om aan te sluiten bij het tarief in box 3 en vanaf 1 januari 2026 voordelen uit indirect gehouden lucratieve belangen via een grondslag verbredende multiplier te belasten tegen een tarief van effectief maximaal 36% (tot en met 31 december 2025 geldt voor box 2 een tarief van 24,5% over de eerste € 67.804 en 31% over het meerdere). De reden voor de verhoging van het box 2-tarief voor lucratieve belangen is dat deze meer een beloning voor arbeid zouden vormen dan een vergoeding voor inleg van kapitaal. Bij een dergelijke benadering zou het naar onze mening wel zo consequent zijn geweest om in de overwegingen mee te nemen dat een lucratief belang (in tegenstelling tot andere beloningen voor arbeid) doorgaans niet tot aftrekbare kosten leidt bij de partij waarvoor de arbeid wordt verricht.

Actiepunt: Voorkom waar mogelijk dat een lucratief belang ontstaat en probeer voordelen uit lucratief belang nog gedurende 2025 in de heffing te betrekken door voordelen te realiseren en uit te keren voor 1 januari 2026 (er geldt geen eerbiedigende werking voor waarde aangroei in de periode tot de wetswijziging bij realisatie daarna).

Verlaging heffingsvrij vermogen en verhoging forfaitair rendement overige bezittingen box 3 Het kabinet stelt voor om het heffingsvrije vermogen in box 3 per 1 januari 2026 te verlagen naar € 51.396 (in 2025 is dit nog € 57.684). Daarnaast wordt voorgesteld om het forfaitaire rendementspercentage voor overige bezittingen in box 3 te verhogen naar 7,78% (in 2025 is dit nog 5,88%).

Actiepunt: Overweeg nog in 2025 (dus voor de eerstvolgende peildatum 1 januari 2026) of er gunstigere manieren zijn om overige bezittingen te houden (bijvoorbeeld in/overhevelen naar box 2).

Uitsluiten leegwaarderatio bij niet-marktconform handelende gelieerde partijen Woningen worden in box 3 van de inkomstenbelasting en in de schenk- en erfbelasting in beginsel gewaardeerd op de WOZ-waarde. Indien woningen worden verhuurd of verpacht, wordt de WOZ-waarde onder omstandigheden verlaagd door toepassing van de leegwaarderatio. Het kabinet stelt voor om de leegwaarderatio niet langer van toepassing te laten zijn op woningen die worden verhuurd of verpacht aan een gelieerde partij tegen een niet-marktconforme prijs. Met de wijziging wordt in dergelijke gevallen (mede) bewerkstelligd dat niet langer een beroep kan worden gedaan op jurisprudentie van de Hoge Raad op grond waarvan verhuurde woningen kunnen worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer indien deze waarde 10% lager is dan de WOZ-waarde gecorrigeerd met de leegwaarderatio. Die jurisprudentie wordt voor overige gevallen in de wet opgenomen, zodat op basis van de wet reeds een beroep kan worden gedaan op een waardering in het economische verkeer die 10% of lager dan de WOZ-waarde gecorrigeerd met de leegwaarderatio.

Obligaties met aangegroeide rente in box 3 In de literatuur is opgemerkt dat belastingheffing onder omstandigheden kan worden voorkomen door in het kader van het werkelijk rendement in box 3 (de tegenbewijsregeling) vorderingen/obligaties met aangegroeide rente aan te schaffen, welke rente valt onder de vrijstelling voor zogenoemde kortlopende termijnen en zodoende niet wordt meegenomen in de waardering voor box 3 per 1 januari. Daardoor ontstaat er ten opzichte van het aankoopbedrag een verlies in box 3, waarmee dan naar believen het werkelijke rendement in box 3 kan worden verlaagd. Het kabinet beoogt dit ongewenste gevolg te verhelpen. Met ingang van 1 januari 2026 is met terugwerkende kracht tot 25 augustus 2025, 16:00 uur, slechts nog de aangegroeide rente op banktegoeden/-deposito’s vrijgesteld. Obligaties, vorderingen en vergelijkbare effecten worden in dit kader gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer (dus inclusief aangegroeide rente). Voor bezittingen en schulden die al voor 25 augustus 2025, 16:00 uur, tot het box 3-vermogen zijn gaan behoren, blijven de oorspronkelijke regels van toepassing.

Reeds eerder vastgestelde wijzigingen per 1 januari 2026 Investeringsdiensten in de btw Vanaf 1 januari 2026 wordt de btw-herzieningsregeling uitgebreid naar investeringsdiensten met betrekking tot onroerende zaken, die bijvoorbeeld zien op renovatie-, vervangings-, onderhouds- en herstelwerkzaamheden. Dit betekent dat de btw op deze diensten gedurende (maximaal) vijf jaar wordt gevolgd, vergelijkbaar met de regeling voor roerende investeringsgoederen. Er geldt een drempelbedrag van € 30.000, waardoor kleinere diensten niet onder deze regeling vallen. Met deze wijziging wordt beoogd om zogenaamde “short stay” verhuur situaties (zie ook hierna) minder aantrekkelijk te maken. Het gaat dan bijvoorbeeld om kantoren die worden verbouwd tot woningen zonder dat die verbouwing leidt tot nieuw vastgoed voor de btw. Op grond van de huidige wetgeving is btw-belaste gemeubileerde “short stay” verhuur gedurende enkel het jaar van ingebruikname voldoende om definitieve btw-aftrek te realiseren. Dat gaat dus vanaf 1 januari 2026 veranderen.

Actiepunt: Probeer verbouwingen tot/van woningen die niet leiden tot nieuwbouw voor de btw die u in eerste instantie “short stay” wenst te verhuren nog in 2025 af te ronden en in 2025, tot jaareinde, btw belast “short stay” te verhuren.

Afschaffing verlaagd btw-tarief voor logies Vanaf 1 januari 2026 wordt het verlaagde btw-tarief van 9% voor logies afgeschaft en geldt het reguliere tarief van 21%. Dit geldt niet alleen voor hotels en pensions, maar bijvoorbeeld ook bij kortdurende verhuur van gemeubileerde kamers en woningen (“short stay“), volledig ingerichte tenten en mobilhomes, gemeubileerde woningen aan een short-stay-organisatie die de woning doorverhuurt en accommodaties voor bijvoorbeeld asielzoekers of dak- en thuislozen. Voor kamperen blijft het verlaagde btw-tarief van 9% gelden.

Let op: Het btw-tarief op het moment van de prestatie is van toepassing. Als bijvoorbeeld nog dit jaar betalingen worden ontvangen voor overnachtingen die pas in 2026 zullen plaatsvinden, is hierover nu al 21% btw verschuldigd. Ook bij boekingen die worden verplaatst van een datum in 2025 naar een datum na 31 december 2025 is (alsnog) 21% btw verschuldigd. Actiepunt: Breng bij overnachtingen die plaatsvinden na 31 december 2025 21% btw in rekening.

Tarief overdrachtsbelasting voor niet-eigen woningen Het kabinet streeft naar een uitbreiding van het aanbod aan huurwoningen, zodat meer mensen toegang krijgen tot betaalbare huisvesting. In dit kader wordt het reguliere tarief van de overdrachtsbelasting voor de aankoop van woningen per 1 januari 2026 verlaagd van 10,4% naar 8%. Voor woningen die door de koper voor langere tijd als hoofdverblijf worden gebruikt, blijft het verlaagde tarief van 2% of de startersvrijstelling gelden.

Actiepunt: Stel zo mogelijk verkrijgingen van woningen, niet zijn zijnde de eigen woning, uit tot na 31 december 2025. Aandachtspunt bij een dergelijk uitstel is onder meer dat overdrachtsbelasting verschuldigd is over de waarde van de woningen danwel de hogere tegenprestatie. Bij een waardestijging gedurende het uitstel van de levering kan dus de basis waarover overdrachtsbelasting wordt geheven toenemen.

Voordeel wegens eigen gebruik onroerende zaken box 3 De Hoge Raad heeft beslist dat de Belastingdienst het werkelijke rendement in box 3 moet belasten wanneer dit lager is dan het op basis van de Wet IB 2001 vastgestelde fictieve rendement. De wetgever heeft met de inmiddels in werking getreden Wet tegenbewijsregeling box 3 aangegeven op welke wijze belastingplichtigen hun werkelijke rendement in box 3 kunnen berekenen. Onderdeel van het werkelijke rendement is volgens de Hoge Raad ook het voordeel wegens eigen gebruik van (gedeelten) van onroerende zaken. Dit voordeel is volgens de Hoge Raad echter niet te kwantificeren en wordt daarom (tot en met 31 december 2025) niet belast. Vanaf 1 januari 2026 zullen voordelen uit het voor eigen gebruik ter beschikking staan van (gedeelten van) onroerende zaken echter wel worden meegerekend bij de bepaling van het werkelijke rendement als bedoeld in de Wet tegenbewijsregeling box 3. De waarde van het voor eigen beschikking staan wordt in dit kader (middels een op 1 januari in werking te treden wetsbepaling) gesteld op de economische huurwaarde per jaar, gedeeld door het aantal dagen dat de onroerende zaak de gehele dag voor eigen gebruik ter beschikking staat. Voor de economische huurwaarde kan worden aangesloten bij 5,06% van de WOZ-waarde.

Let op: Niet relevant is of de onroerende zaak daadwerkelijk voor eigen gebruik wordt aangewend. Voldoende is dat de onroerende zaak voor eigen gebruik ter beschikking staat (bijvoorbeeld bij leegstand). Hiervan is geen sprake als de onroerende zaak wordt verhuurd of verpacht, in aanbouw is of onbruikbaar is door een brand of een verbouwing.

Actiepunt: Voorkom zoveel als mogelijk dat box 3-vastgoed na 31 december 2025 voor eigen gebruik ter beschikking staat door leegstand, terwijl overigens het ter beschikking staan niet wordt beperkt (o.g.v. contractuele afspraken). Te betwijfelen valt overigens of belastingheffing op basis van deze regeling een rechterlijke toets zal doorstaan. Overweeg daarom bezwaar aan te tekenen tegen aanslagen waarin het werkelijke rendement (mede) bestaat uit het voor eigen gebruik ter beschikking staan (bij leegstand) van een onroerende zaak.

Behoefte aan nader advies?

Aarzel niet en neem contact met ons op!

ram@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 84 Ton Oostenrijk

ajo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 83 De Cuserstraat 93

1081 CN Amsterdam

 

Postbus 75638

1070 AP Amsterdam

T +31 20 573 03 60

 

info@rechtstaete.nl

www.rechtstaete.nl

  Luc van Dijk

lvd@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 97 Léon Borkes

lbo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 98 Beer van den Broek

bvb@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 66 Natasha Konings

nko@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 68 Dick van der Pal

dvp@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 39 Matthijs Monteban

mmo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 90 Rick Philips

rph@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 69  

   


Gerelateerde inzichten

6 minuten leestijd


03 april 2026

Voorkomen van belastingrente bij aanslagen IB/VPB over het (boek)jaar 2025

Door tijdig in actie te komen kan de verschuldigdheid van belastingrente worden voorkomen.

Bij het opleggen van een aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting kan de Belastingdienst belastingrente in rekening brengen. Belastingrente wordt – kort gezegd – in rekening gebracht indien een te betalen belastingbedrag ‘te laat’ wordt vastgesteld. In deze nieuwsbrief gaan wij in op de stappen die genomen kunnen worden om belastingrente over de te betalen inkomsten- en/of vennootschapsbelasting over het (boek)jaar 2025 te voorkomen. Het belang daarvan is groot, omdat de rentetarieven waarmee de Belastingdienst rekent aanzienlijk zijn.

A. Belastingrente vennootschapsbelasting

Belastingrente kan verschuldigd worden over het bedrag aan te betalen belasting vermeld op aanslagen vennootschapsbelasting over het (boek)jaar 2025, die worden opgelegd na 30 juni 2026. Het rentepercentage bedraagt 5% (2026).

De periode waarover belastingrente in rekening kan worden gebracht, loopt van 1 juli 2026 tot uiterlijk 6 weken na de dagtekening van de opgelegde aanslag.[1]Ingeval van een gebroken boekjaar, loopt de periode waarover de rente wordt berekend van de eerste dag van de zevende maand volgende op het einde van het boekjaar tot uiterlijk 6 weken na de dagtekening van de aanslag.

A1. Voorkomen van te betalen belastingrente vennootschapsbelasting

Belastingrente wordt voorkomen door vóór 1 juni 2026 een aangifte over het (boek)jaar 2025 in te dienen. Als het boekjaar verschilt van het kalenderjaar, moet dit worden gedaan vóórdat 5 maanden na het einde van het gehanteerde boekjaar zijn verstreken. Belastingrente wordt alleen voorkomen als de Belastingdienst niet afwijkt van de ingediende aangifte.Voorbeeld 1[2]De aangifte over het (boek)jaar 2025 wordt vóór 1 juni 2026 gedaan. De (voorlopige) aanslag wordt conform de ingediende aangifte opgelegd.Omdat hier aangifte is gedaan vóór 1 juni 2026 en de gegevens uit de aangifte zonder wijzigingen zijn overgenomen, is er geen belastingrente verschuldigd.Voorbeeld 2 De aangifte over het (boek)jaar 2025 wordt op 23 juni 2026 gedaan. Hierna wordt een (ten opzichte van de aangifte) ongewijzigde aanslag opgelegd met dagtekening 6 augustus 2025.Hier wordt wel belastingrente in rekening gebracht over de periode 1 juli 2026 tot en met 17 september 2026 (6 weken na dagtekening van de aanslag), omdat niet vóór 1 juni 2026 aangifte is gedaan.

Belastingrente kan ook worden voorkomen door vóór 1 mei 2026 een (additionele) voorlopige aanslag over het (boek)jaar 2025 aan te vragen, mits de Belastingdienst de (voorlopige) aanslag niet oplegt tegen een hoger (te betalen) bedrag.Voorbeeld 3 Op 25 april 2026 wordt om een voorlopige aanslag over het (boek)jaar 2026 of een wijziging van een eerder opgelegde voorlopige aanslag over het (boek)jaar 2026 verzocht, waarna een voorlopige aanslag met dagtekening 1 september 2026 wordt ontvangen.Als de gegevens uit het verzoek om een voorlopige aanslag ongewijzigd zijn overgenomen, wordt geen belastingrente verschuldigd, omdat al vóór 1 mei 2026 een verzoek om een voorlopige aanslag is ingediend.

A2. Bezwaar maken tegen belastingrente vennootschapsbelasting

Op 16 januari 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan omtrent de cassatieprocedure over het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het verhoogde belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting in strijd is met het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel en daarom niet mag worden toegepast.

Dit betekent dat de voorheen gehanteerde rentepercentages buiten beschouwing moet blijven en dat voor de vennootschapsbelasting moet worden aangesloten bij het rentepercentage dat geldt voor de overige belastingen. Voor 2026 bedraagt deze 5%.

Voor de belastingplichtigen die tegen de opgelegde definitieve aanslagen bezwaar hebben ingediend (en waarbij dit bezwaar is aangewezen onder de massaalbezwaarprocedure) is inmiddels ook collectief uitspraak op bezwaar gewezen door de Belastingdienst. Belastingplichtigen ontvangen binnen 6 maanden na de collectieve uitspraak automatisch een vermindering van de belastingrente, waarbij het regulier rentepercentage wordt toegepast.

Voor belastingplichtigen die nog geen bezwaar hebben gemaakt is het raadzaam om de aanslagen en de rentebeschikking te controleren. Indien een onjuist (te hoog) rentepercentage is gehanteerd, kan nog bezwaar worden gemaakt, mits de aanslag open staat voor bezwaar. Daarbij geldt dat het bezwaar binnen 6 weken na dagtekening van de aanslag moet worden ingediend.

Indien belastingrente in rekening wordt gebracht op een voorlopige aanslag staat de route van bezwaar nog niet open aangezien nog geen sprake is van een formele rentebeschikking. Indien gewenst kunt u de Belastingdienst wel verzoeken om de voorlopige aanslag met betrekking tot de rente te herzien. Dit verzoek kan worden ingediend tot uiterlijk zes weken na dagtekening van de definitieve aanslag vennootschapsbelasting over het betreffende jaar.

B. Belastingrente inkomstenbelasting

Indien aangifte inkomstenbelasting over het (boek)jaar 2025 wordt gedaan op of na 1 mei 2026, kan belastingrente in rekening worden gebracht vanaf 1 juli 2026 tot uiterlijk 6 weken na de dagtekening van de opgelegde aanslag.[3]Het percentage van de belastingrente bedraagt 5% (2026).

Gelet op het (relatief hoge) rentepercentage van 5% voor de inkomstenbelasting, bestond de vraag of ook dit percentage mogelijk onverbindend zou worden verklaard. Uit de Hoge Raad uitspraak is echter gebleken dat dit niet het geval is. De bezwaren tegen de belastingrente voor de inkomstenbelasting zijn ongegrond verklaard en de Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit rentepercentage niet in strijd is met de algemene rechtsbeginselen.

B1. Voorkomen van te betalen belastingrente inkomstenbelasting

Door vóór 1 mei 2026 aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2025 te doen of vóór die datum te verzoeken om een voorlopige aanslag over het jaar 2025, kan worden voorkomen dat belastingrente verschuldigd wordt, mits de Belastingdienst de uiteindelijke/definitieve aanslag niet tegen een hoger (te betalen) bedrag oplegt.

C. Invorderingsrente Naast belastingrente kan ook invorderingsrente in rekening worden gebracht als de belasting te laat (normaliter vanaf de eerste dag gelegen 6 weken na dagtekening van de aanslag) wordt betaald. Deze rente loopt door tot de dag waarop de belastingschuld wordt voldaan. Het percentage bedraagt 4,3% (2026).

Let op!!

Controleer ruim vóór 1 mei of er een voorlopige aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting is opgelegd naar het (te verwachten) belastbaar inkomen of de winst van uw B.V. over het (boek)jaar 2025. Indien dit niet het geval is – of indien deze aanslag te laag is vastgesteld – wordt belastingrente voorkomen door vóór 1 mei 2026 een voorlopige aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting aan te (laten) vragen. Van belang daarbij is dat het verwachte inkomen en/of winst reëel wordt ingeschat, maar in ieder geval niet te laag om te betalen rente te voorkomen.

Indien u wenst dat wij u bijstaan bij het aanvragen van een (additionele) voorlopige aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting voor het (boek)jaar 2025, ontvangen wij graag uiterlijk medio april a.s. de relevante cijfers.

[1]Bij een navorderingsaanslag volgend op een definitieve aanslag, wordt mogelijk ook belastingrente in rekening gebracht. De renteperiode loopt dan van 1 juli 2026 tot 1 maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.

[2]Aangepaste voorbeelden; origineel afkomstig van de website van de Belastingdienst.

[3]Bij een navorderingsaanslag volgend op een definitieve aanslag, wordt mogelijk ook belastingrente in rekening gebracht. De renteperiode loopt dan van 1 juli 2026 tot 1 maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.

Lees meer
Belastingrente
Fiscaal
IB
Rechtstaete Vastgoedadvocaten en Belastingadviseurs B.V. KvK: 34154528
De Cuserstraat 93 1081 CN Amsterdam

© 2026 Rechtstaete. All rights reserved.
Website door OGonline.nl