Berichten

Eindejaarstips 2025 en aandachtspunten 2026

Het einde van het jaar nadert. Hierbij enige fiscale tips voor het einde van dit jaar en aandachtspunten voor het volgende jaar.

 Btw-herziening op kostbare diensten per 1 januari 2026

Vanaf 1 januari 2026 geldt, in beginsel, een herzieningstermijn voor diensten aan onroerende zaken die meer bedragen dan € 30.000 (zoals verbouwingen, renovaties en grote onderhoudswerkzaamheden). Dit betreft diensten die niet leiden tot een nieuwe onroerende zaak in de zin van de btw. De herzieningstermijn bestrijkt het jaar van ingebruikname en de vier daaropvolgende jaren. Volgens de huidige regels mag de btw op verbouwingskosten volledig en definitief worden afgetrokken, op voorwaarde dat een gebouw btw-belast wordt aangewend. Door de nieuwe herzieningsregeling wordt de btw-aftrek over deze (investerings)diensten gedurende vier jaar na ingebruikname beoordeeld op basis van het daadwerkelijke gebruik. Wijzigt het gebruik (bijvoorbeeld van “short stay” woningverhuur naar reguliere, btw-onbelaste verhuur), dan moet een deel van de eerder afgetrokken btw mogelijk worden terugbetaald.

TIP/actiepunt: Neem kostbare diensten, waar mogelijk, nog dit jaar btw-belast in gebruik om te voorkomen dat voor deze diensten een herzieningstermijn gaat lopen.

 Overdrachtsbelastingtarief voor woningen

Vanaf 1 januari 2026 wordt het overdrachtsbelastingtarief voor woningen die niet als hoofdverblijf dienen (verhuurde woningen, maar ook een vakantiewoning) verlaagd van 10,4% naar 8%.

TIP/actiepunt: Stel, waar mogelijk, de verkrijging van woningen die u niet als eigen woning (hoofdverblijf) gaat gebruiken uit tot na 31 december 2025. Houd er wel rekening mee dat wordt geheven over de waarde van de woning op het moment van levering.

 Tijdelijk overgangsrecht fonds voor gemene rekening

Met ingang van 1 januari 2025 is de definitie van het fonds voor gemene rekening (FGR) voor de vennootschapsbelasting aangepast. Hierdoor kunnen samenwerkingsverbanden, zoals een commanditaire vennootschap die belegt in vastgoed, vennootschapsbelastingplichtig worden en verliezen zij hun fiscale transparantie, tenzij vóór eind 2025 een zogenoemde “inkoopvariant” in de fondsvoorwaarden is opgenomen en daartoe reeds in 2024 is besloten. Het kabinet erkent dat deze nieuwe definitie knelpunten oplevert en overweegt op zijn vroegst per 1 januari 2027 een herziening. Daarom is een nadere tijdelijke overgangsmaatregel voorgesteld: fondsen die vanaf 1 januari 2025 als FGR zouden kwalificeren, kunnen ervoor kiezen om tijdelijk als fiscaal transparant te worden aangemerkt. Deze maatregel geldt uiterlijk tot 1 januari 2028, afhankelijk van wanneer een nieuwe definitie van het begrip “fonds voor gemene rekening” wordt ingevoerd.

Door dit nadere overgangsrecht kan in de navolgende situaties de fiscale transparantie van een fonds in stand blijven:

Voor fondsen die per 31 december 2024 bestonden:

  1. Het fonds heeft in 2024 besloten tot invoering van de “inkoopvariant” en heeft deze in 2025 daadwerkelijk geïmplementeerd. Geen verdere actie vereist;
  2. Het fonds heeft in 2024 besloten tot invoering van de “inkoopvariant” en heeft deze in 2025 niet daadwerkelijk geïmplementeerd. Geen verdere actie vereist;
  3. Het fonds bestond reeds in 2024 en heeft in 2024 niet besloten tot invoering van de “inkoopvariant”. Alle participanten moeten voor 28 februari 2026 aangeven dat zij kiezen voor de toepassing van het overgangsrecht, het niet vennootschapsbelastingplichtig worden van het Fonds.

Voor fondsen die vanaf 1 januari 2025 zijn opgezet/bestaan:

  1. Het fonds is pas ontstaan na 2024 en heeft bij het aangaan/oprichting de “inkoopvariant” geïmplementeerd. Geen verdere actie vereist;
  2. Het fonds is pas ontstaan na 2024 en heeft bij het aangaan/oprichting de “inkoopvariant” niet geïmplementeerd. Alle participanten moeten voor 28 februari 2026 aangeven dat zij kiezen voor de toepassing van het overgangsrecht, het niet vennootschapsbelastingplichtig worden van het Fonds.

TIP/actiepunt: Bekijk of er op basis van de hierboven beschreven situaties actie is vereist om de fiscale transparantie van een fonds te behouden (voor uiterlijk 28 februari 2026).

 Box 3: Waarde woningen in verhuurde staat

De Hoge Raad heeft op 3 april 2015 en 23 september 2016 voor box 3 geoordeeld dat, indien de WOZ-waarde van een woning verminderd met onder meer de leegwaarderatio 10% of meer hoger is dan de waarde in het economische verkeer, voor de toepassing van de Wet IB 2001 (box 3) respectievelijk de Successiewet 1956, de waarde in het economische verkeer mag worden gehanteerd. Deze jurisprudentie is onlangs eveneens in de regelgeving opgenomen.

Om een beroep te doen op de regeling moet een belastingplichtige stellen en in geval van gemotiveerde betwisting aannemelijk maken wat de (lagere) waarde in het economische verkeer is. In de praktijk zien we dat een taxatierapport als bewijs kan dienen. In hoeverre een dergelijk taxatierapport ook daadwerkelijk wordt gevolgd, is echter afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Bij verhuur aan een gelieerde partij, tegen een onzakelijke huur- of pachtprijs, kan geen beroep worden gedaan op bovengenoemde waarderingsregeling. Een lagere waardering leidt tot een lager fictief rendement en kan mogelijk eveneens helpen om een eventueel lager werkelijk rendement te onderbouwen.

Bij de keuze om voor woningen de lagere werkelijke waarde in aanmerking te nemen, dient ook rekening te worden gehouden met nieuwe wetgeving die beoogd om vanaf 2028 het werkelijke rendement in box 3 te belasten. Onderdeel van die nieuwe wetgeving is een heffing die de verkoopwinsten op vastgoed belast. Om die verkoopwinst te kunnen bepalen zal er ook een inkoopprijs moeten worden vastgesteld. Die “inkoopprijs” wordt voor niet woningen gesteld op de waarde in het economische verkeer per 1 januari 2028. Voor woningen wordt de “inkoopprijs” gebaseerd op de WOZ waarde per peildatum 1 januari 2028 (dus opgenomen in de WOZ beschikking voor 2029) gecorrigeerd met onder meer de leegwaarderatio. Hier geldt dus (nog) niet dat de “inkoopprijs” voor woningen lager kan worden vastgesteld in verband met een lagere waarde in het economische verkeer. Wellicht komt dat er gedurende de parlementaire behandeling nog in. In dat geval kan het fiscale voordeel dat de lagere waardering had in de jaren tot en met 2027 wel eens een nadeel (hogere boekwinst door lagere “inkoopprijs”) vormen voor de jaren 2028 en later.

TIP/actiepunt: Controleer uw aanslagen inkomsten-, erf- en/of schenkbelasting op gevallen waarin de waarde van een verhuurde woning met huurbescherming, is vastgesteld op de WOZ waarde toepassing van de leegwaarderatio, 10% of meer hoger is dan de waarde in het economische verkeer. Overweeg daarbij of het zinvol is om bezwaar te maken tegen de desbetreffende aanslag inkomsten-, erf- en/of schenkbelasting (mede in verband met de verwachte toekomstige wetgeving). Gezien de toekomstige wetgeving is het wellicht minder verstandig om bezwaar te maken tegen een WOZ-waarde van woningen in box 3 die u te hoog vindt.

 Lucratief belang

Tot 2028 hebben middellijk lucratief belanghouders met een aanmerkelijk belang (5% of meer in een soort aandelen) in de vennootschap die het lucratief belang houdt, de keuze om de voordelen uit lucratief belang tegen het reguliere tarief in box 2 in de heffing te betrekken (in plaats van in box 1), mits ten minste 95% van de lucratief belangvoordelen in dat kalenderjaar worden uitgekeerd aan de belastingplichtige en als inkomen uit aanmerkelijk belang worden belast. Vanaf 2028 wordt de belastingdruk in box 2 over het gedeelte van de lucratief belangvoordelen, die op deze manier worden uitgekeerd, verhoogd middels een multiplier (36/31 x het uitgekeerde voordeel uit lucratief belang), waardoor het effectieve tarief ten hoogste 36% bedraagt.

Het was eerder de bedoeling deze wijziging met ingang van 2026 door te voeren. Tijdens de parlementaire behandeling is echter besloten tot uitstel tot 2028, mede om te onderzoeken of er in de tussenliggende periode niet met een “beter” alternatief kan worden gekomen.

TIP/actiepunt: Laat voordelen uit middellijk lucratief belang, die nog in hetzelfde jaar door uw BV aan u worden uitgekeerd en daarmee in box 2 in de belastingheffing worden betrokken, zoveel als mogelijk in 2025, 2026 en 2027 vallen.

 Terugdraaien wijzigingen heffingsvrij vermogen en forfaitair rendement overige bezittingen box 3 in ruil voor versnelde afbouw Wet Hillen

Eerder werd voorgesteld om per 1 januari 2026 het heffingsvrije vermogen in box 3 te verlagen naar € 51.396 (€ 102.792 voor fiscaal partners) en om het forfaitaire rendementspercentage voor overige bezittingen in box 3 te verhogen naar 7,78% (in 2025 was dit 5,88%). In de parlementaire behandeling is dit voorstel echter gewijzigd, waardoor het heffingsvrije vermogen in 2026 € 59.357 (€ 118.714 voor fiscaal partners) bedraagt en het rendementspercentage voor overige bezittingen wordt gesteld op 6%. De alternatieve dekking voor het terugdraaien wordt gevonden in een versnelde afbouw van de Wet Hillen (“aftrek wegens geen of geringe eigen woningschuld”). Hierdoor is de aftrek volledig uitgefaseerd per 1 januari 2041 (in plaats van 1 januari 2048). Op 1 januari 2026 bedraagt de aftrek overigens nog 71,82% van het verschil tussen de voordelen uit eigen woning en de daarop drukkende aftrekbare kosten.

TIP/actiepunt: Overweeg per jaar of er mogelijk gunstigere manieren zijn om overige bezittingen te houden (bijvoorbeeld in/overhevelen naar box 2). Houd daarnaast rekening met een snellere afbouw van de aftrek wegens geen of een geringe eigenwoningschuld in box 1.

  • Vormen/benutten herinvesteringsreserve

Als uw vennootschap een boekwinst heeft gemaakt op beleggingsvastgoed en u heeft een herinvesteringsvoornemen, dan kunt u deze boekwinst gedurende drie jaar (in sommige situaties is een langere termijn mogelijk) na het jaar van verkoop van het beleggingsvastgoed uitstellen middels het vormen van een herinvesteringsreserve. Van belang daarbij is dat – het bestuur van – uw vennootschap een reëel en bewijsbaar voornemen heeft om tot aan het bedrag van de verkoopopbrengst te herinvesteren in vervangend beleggingsvastgoed.

Na herinvestering binnen de hiervoor genoemde periode mag de herinvesteringsreserve worden afgeboekt op het investeringsbedrag van het vervangende beleggingsvastgoed. Indien de herinvesteringsreserve niet tijdig wordt benut, zal deze in beginsel belast vrijvallen in de (fiscale) winst, voor zover deze niet is aangewend.

TIP/actiepunt: Leg uw herinvesteringsvoornemen in het kader van de herinvesteringsreserve uiterlijk per 31 december schriftelijk vast in een directie-/bestuursbesluit. Zorg tevens voor een tijdige benutting van de herinvesteringsreserve om belaste vrijval te voorkomen.

  • Excessief lenen

De wetgeving tegen excessief lenen belast het totaal van de schulden aan eigen vennootschappen voor zover die schulden (van u en uw fiscale partner met eventuele toerekening van schulden van kinderen voor zover zij zelf meer dan € 500.000 hebben geleend van uw vennootschappen zonder dat zij zelf aandeelhouder zijn) gezamenlijk genomen op
31 december 2025 meer bedragen dan € 500.000. Van een eigen vennootschap is sprake bij een aanmerkelijk belang (box 2 voor de inkomstenbelasting) in een vennootschap. Vorderingen op de eigen vennootschap mogen, om te bepalen of het bedrag van € 500.000 is overschreden, niet worden gesaldeerd met de schulden. Het excessieve deel van de schuld per 31 december wordt belast tegen het box 2-tarief.

TIP/actiepunt: Probeer er zoveel mogelijk voor te zorgen dat vorderingen en schulden op de eigen vennootschap(pen) voor 31 december – daadwerkelijk – met elkaar zijn verrekend (documenteren!). Overleg voor jaareinde met ons (uw belastingadviseur) of er nog verdere mogelijkheden zijn om heffing te vermijden/beperken.

  • Benut zoveel mogelijk de lagere tariefschijf in box 2

Voor 2025 geldt een tarief in box 2 van 24,5% tot een belastbaar inkomen van € 67.804 (bij fiscale partners € 135.608), terwijl over het belastbaar inkomen dat de € 67.804 (bij fiscale partners € 135.608) overschrijdt een tarief van 31% geldt. Voor 2026 gelden dezelfde tarieven en wordt een drempel gehanteerd van € 68.843 (bij fiscale partners € 137.686).

TIP/actiepunt: Indien u voornemens bent om een dividenduitkering te doen en u over 2025 minder inkomen in box 2 heeft dan € 67.804 per fiscaal partner, doe dan nog in 2025 een dividenduitkering om gebruik te maken van het lagere tarief.

  • Box 3: Opgaaf werkelijk rendement

Middels het formulier Opgaaf werkelijk rendement kan het werkelijk rendement over box 3-vermogen worden doorgegeven aan de Belastingdienst. Dit bestaat uit de reguliere voordelen en de vermogensaanwas van bezittingen en schulden. Positieve reguliere voordelen bestaan uit onder andere rente, dividend en huurinkomsten. Negatieve reguliere voordelen bestaan slechts uit rentekosten. De vermogensaanwas van vastgoed bestaat in beginsel uit het verschil tussen de waarde in het economische verkeer aan het begin en aan het einde van het desbetreffende jaar (verminderd met stortingen en vermeerderd met onttrekkingen). De vermogensaanwas bij woningen wordt evenwel in beginsel gebaseerd op de WOZ-waarde. Voor het werkelijk rendement wordt gekeken naar het gehele box 3-vermogen (er bestaat geen keuze per vermogensbestanddeel). Voorts wordt geen rekening gehouden met het heffingsvrije vermogen of inflatie en eventuele verliezen kunnen niet worden verrekend over de jaargrens heen.

TIP/actiepunt: Beoordeel per aangiftejaar of het voor u zinvol is om het formulier Opgaaf werkelijk rendement in te dienen bij de Belastingdienst. Houd er onder meer rekening mee dat niet-gerealiseerde waardestijgingen worden meegenomen, dat kosten (anders dan rente) niet aftrekbaar zijn en dat geen rekening wordt gehouden met het heffingsvrije vermogen.

  • Aanvraag voorlopige aanslagen

Om belastingrente te beperken, adviseren wij om tijdig voorlopige aanslagen aan te vragen voor het jaar 2026. Dit geldt tevens voor voorgaande jaren, indien u verwacht over die jaren nog een bedrag verschuldigd te zijn en de betreffende aangifte nog niet is ingediend. Met betrekking tot de hoogte van de belastingrente lopen op dit moment diverse procedures. Mocht u geconfronteerd worden met belastingrente dan adviseren wij u bezwaar aan te tekenen en/of een verzoek tot herziening in te dienen.

TIP/actiepunt: Door tijdig en proactief te handelen, kunnen potentieel excessieve rentelasten worden voorkomen. Maak bezwaar/vraag om herziening als u desondanks toch geconfronteerd wordt met belastingrente.

Behoefte aan nader advies?

Aarzelt u niet en neem contact met ons op!

René Maat

ram@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 84

Ton Oostenrijk

ajo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 83

De Cuserstraat 93

1081 CN Amsterdam

 

Postbus 75638

1070 AP Amsterdam

T +31 20 573 03 60

 

info@rechtstaete.nl

www.rechtstaete.nl

 

Luc van Dijk

lvd@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 97

Léon Borkes

lbo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 98

Beer van den Broek

bvb@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 66

Natasha Konings

nko@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 68

Dick van der Pal

dvp@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 39

Matthijs Monteban

mmo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 90

Rick Philips

rph@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 69 

Cas Rijkelijkhuizen

cri@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 93

 

 

 

Eindejaarstips 2024 en aandachtspunten 2025

Eindejaarstips 2024 en aandachtspunten 2025

Het einde van het jaar nadert met rasse schreden. Hierbij enige (fiscale) tips voor het einde van dit jaar en aandachtspunten voor het volgende jaar.

Btw-behandeling van de servicekosten per 1 januari 2025
Op basis van beleid dat geldt tot en met 31 december a.s. zijn, in beginsel, de servicekosten voor de verhuur van woningen in de meeste gevallen vrijgesteld van btw, terwijl servicekosten voor commerciële ruimten belast zijn met btw, zelfs als de verhuur zelf is vrijgesteld. Vanaf 1 januari 2025 moet volgens nieuw beleid voor zowel woon- als commerciële ruimten beoordeeld worden of de servicekosten een zelfstandige prestatie vormen, die in principe btw-plichtig zijn, of dat deze opgaan in de verhuur en daarmee de btw-behandeling van de verhuur (belast of vrijgesteld) volgen.

Per 1 januari 2025 dienen de servicekosten als volgt te worden gecategoriseerd:

  1. Kosten die worden afgerekend op basis van werkelijk verbruik worden in principe aangemerkt als een zelfstandige btw-belaste dienst. Dit geldt bijvoorbeeld voor het gebruik van nutsvoorzieningen zoals gas, elektriciteit, water, en warmte of koude, mits er een individuele meter is en op basis van daadwerkelijk verbruik wordt gefactureerd.
  2. Kosten waarvoor huurders individueel of gezamenlijk beslissingsbevoegd zijn om de dienstverlener te kiezen, worden in beginsel als zelfstandige btw-belaste diensten beschouwd. In de praktijk ligt deze bevoegdheid vaak bij de verhuurder, waardoor deze servicekosten de btw-behandeling van de verhuur volgen, zoals bij schoonmaak van algemene ruimtes en beveiliging.
  3. Overige servicekosten worden doorgaans als bijkomende kosten bij de verhuur beschouwd en volgen de btw-behandeling van de verhuur.

TIP/actiepunt: beoordeel per huurovereenkomst welke servicekosten worden doorberekend en bepaal of deze onder de zelfstandige btw-belaste diensten vallen of de btw-behandeling van de verhuur volgen. Desgewenst kunnen wij u bij deze beoordeling assisteren.

Aanpassing earningstrippingmaatregel per 1 januari 2025
De earningstrippingmaatregel (ook wel bekend als de generieke renteaftrekbeperking) betreft een maatregel die de aftrek van rente voor de vennootschapsbelasting beperkt. Op basis van deze maatregel is de rente (momenteel) slechts aftrekbaar tot (i) 20% van de fiscale EBITDA (hierna: ‘procentuele renteaftrekdrempel’) of als dat hoger is (ii) € 1.000.000 (hierna: “vaste renteaftrekdrempel”). Per 1 januari 2025 wordt de procentuele renteaftrekdrempel verhoogd van 20% naar 24,5%.

Het schrappen van de vaste renteaftrekdrempel voor vastgoedvennootschappen (vennootschappen met vastgoed dat aan derden wordt verhuurd) gaat gelukkig niet door.

TIP/actiepunt: monitor uw rentesaldi zorgvuldig (zeker wanneer u met meerdere vennootschappen werkt) om een duidelijk overzicht te krijgen van de toepassing van de renteaftrekbeperking.

Aanpassing samenloopvrijstelling overdrachtsbelasting bij aandelentransacties
Bij de verkrijging van bouwterreinen en nieuwbouwvastgoed is, onder bepaalde voorwaarden, een vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing. In 2011 heeft de Hoge Raad bepaald dat deze vrijstelling ook van toepassing is bij de verkrijging van aandelen in vastgoedvennootschappen die dergelijk vastgoed bezitten.

Per 1 januari 2025 vervalt deze vrijstelling echter voor de verkrijging van aandelen in vastgoedvennootschappen die meer dan 10% btw vrijgestelde prestaties verrichten. Vanaf deze datum, met uitzondering van situaties waarin met succes een beroep wordt gedaan op overgangsrecht, geldt bij dergelijke verkrijgingen een verlaagd overdrachtsbelastingtarief van 4%, dat wordt berekend over de werkelijke waarde van het vastgoed.

TIP/actiepunt: probeer, indien mogelijk, nog dit jaar een levering van aandelen van vennootschappen met bouwterreinen, nieuwbouw in aanbouw en gerealiseerde nieuwbouw te realiseren als sprake is van (voorgenomen) btw vrijgestelde prestaties.

Einde Open CV en wijziging definitie FGR per 1 januari 2025. Vermijden fiscale afrekening als gevolg van besloten worden per 1 januari 2025
Vanaf 1 januari 2025 is de open commanditaire vennootschap (“Open CV”) in de meest gevallen niet langer zelfstandig belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Een fonds voor gemene rekening (“FGR”) is alleen nog belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting als het (i) kwalificeert als een beleggingsfonds in de zin van artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht (“Wft”) en (ii) de participaties verhandelbaar zijn. De participaties worden als niet verhandelbaar aangemerkt als deze slechts kunnen worden vervreemd aan het FGR (“inkoopvariant”).

Als gevolg van het besloten worden van CV’s en (bepaalde) FGR’s kan er vennootschapsbelasting, dividendbelasting en inkomstenbelasting verschuldigd zijn. Door toepassing van het overgangsrecht kan deze heffing in bepaalde gevallen worden voorkomen. Hiervoor is echter actie in 2024 vereist. In zijn algemeenheid komt die actie neer op het inbrengen van de CV en/of FGR participaties in een B.V.

TIP/actiepunt: ga na of u participeert in een open CV en/of FGR. Mocht er in uw geval nog geen actie zijn genomen neem dan zo snel mogelijk contact met ons op.

Mogelijke kwalificatie besloten CV/maatschap e.d. als FGR. Vermijden risico op belastingplicht voor de vennootschapsbelasting
Zoals hiervoor reeds vermeld, wordt per 1 januari 2025 de definitie van het FGR aangepast, zodat deze onder meer in lijn is met de definitie van beleggingsfondsen als bedoeld in artikel 1:1 Wft. Er heerst echter enige onrust, omdat een fiscaal transparante CV/maatschap/stichting administratiekantoor met gecertificeerd vastgoed (hierna gezamenlijk ook CV genoemd) volgens het Ministerie van Financiën ook onder deze nieuwe definitie van het FGR zouden kunnen vallen. Dit zou tot gevolg hebben dat een CV met ingang van 1 januari 2025, vennootschapsbelastingplichtig zou kunnen worden. Naar aanleiding van de ontstane zorgen hebben wij op 21 oktober 2024 en op 11 december 2024 nieuwsbrieven gepubliceerd met onze visie en de mogelijke gevolgen. Kort samengevat, stelt de Staatssecretaris dat een CV en/of een maatschap en/of stichting administratiekantoor mogelijk als een FGR kan kwalificeren en wordt geadviseerd om de verhandelbaarheid van het fonds – oftewel het toestemmingsvereiste – aan te passen naar de “inkoopvariant”, zoals die vanaf 1 januari 2025 voor FGR’s gaat gelden.

Aangezien het wijzigen van de fondsvoorwaarden doorgaans tijdrovend is, is er overgangsrecht geïntroduceerd. Om fiscale transparantie te waarborgen, is het van essentieel belang dat besloten CV/FGR’s/maatschappen en stichtingen administratiekantoren die vanaf 1 januari 2025 mogelijk als open FGR kwalificeren (en daarvoor niet), uiterlijk eind 2024 vastleggen dat zij voornemens zijn om de inkoopvariant in hun (fonds)voorwaarden op te nemen in 2025. Deze bekendmaking dient te worden gedaan door de persoon of het orgaan met de besturende functie (bijvoorbeeld de beherende vennoot bij een CV). In onze eerder genoemde nieuwsbrieven vindt u een uitgebreide toelichting.

TIP/actiepunt: neem contact met ons op om tijdig te beoordelen of in 2024 een schriftelijke vastlegging van het voornemen tot opname van de inkoopvariant noodzakelijk is. Dit is essentieel om – met succes – een beroep te kunnen doen op het overgangsrecht en vennootschapsbelastingplicht te voorkomen.

Overige tips:

Vormen/benutten herinvesteringsreserve
Als uw vennootschap een boekwinst heeft gemaakt op beleggingsvastgoed en u heeft een herinvesteringsvoornemen, dan kunt u deze boekwinst gedurende drie jaar (in sommige situaties is zelfs een langere termijn mogelijk) na het jaar van verkoop van het beleggingsvastgoed uitstellen middels het vormen van een herinvesteringsreserve. Van belang daarbij is dat uw vennootschap een reëel en bewijsbaar voornemen heeft om tot aan het bedrag van de verkoopopbrengst te herinvesteren in vervangend beleggingsvastgoed. Na herinvestering binnen de hiervoor genoemde periode mag de herinvesteringsreserve worden afgeboekt op het investeringsbedrag van het vervangende beleggingsvastgoed. Indien de herinvesteringsreserve niet tijdig wordt benut, zal deze in beginsel belast vrijvallen in de (fiscale) winst.

TIP/actiepunt: leg uw herinvesteringsvoornemen in het kader van de herinvesteringsreserve uiterlijk per jaareinde schriftelijk vast in een directiebesluit. Zorg tevens voor een tijdige benutting van de herinvesteringsreserve om belaste vrijval te voorkomen.

Excessief lenen
De wetgeving tegen excessief lenen belast het totaal van de schulden aan eigen vennootschappen voor zover die schulden (van u en uw fiscale partner met eventuele toerekening van schulden van kinderen voor zover zij zelf meer dan € 500.000 hebben geleend van uw vennootschappen zonder dat zij zelf aandeelhouder zijn) gezamenlijk genomen op 31 december 2024 meer bedragen dan € 500.000. Van een eigen vennootschap is sprake bij een aanmerkelijk belang (box 2 voor de inkomstenbelasting) in een vennootschap. Vorderingen op de eigen vennootschap mogen, om te bepalen of het bedrag van € 500.000 is overschreden, niet worden gesaldeerd met de schulden.

Het excessieve deel van de schuld per jaareinde wordt belast tegen het box 2-tarief. Voor 2024 bedraagt dit tarief 24,5% tot een belastbaar inkomen van € 67.000 (bij fiscale partners
€ 134.000), terwijl over het belastbaar inkomen dat de € 67.000 (bij fiscale partners € 134.000) overschrijdt een tarief van 33% geldt.

TIP/actiepunt: probeer er zoveel mogelijk voor te zorgen dat vorderingen en schulden op de eigen vennootschap(pen) voor jaareinde – daadwerkelijk – met elkaar zijn verrekend (documenteren). Overleg voor jaareinde met ons of er nog verdere mogelijkheden zijn om heffing te vermijden/beperken.

Box 2 benutting eerste schijf
Per 1 januari 2025 zal het tarief voor de tweede schijf in box 2 (inkomen uit aanmerkelijk belang boven de € 67.000 en bij fiscale partners € 134.000) worden verlaagd van 33% naar 31%. Het tarief voor de eerste schijf blijft ongewijzigd op 24,5%.

TIP/actiepunt: indien er nog een uitkeerbare reserve aanwezig is en er binnen de eerste schijf van box 2 (tot € 67.000) nog ruimte is, kan het fiscaal voordelig zijn om deze reserves vóór het jaareinde uit te keren. Dit stelt u in staat optimaal te profiteren van het lagere tarief in de eerste schijf. Tevens is het raadzaam om een dividenduitkering aan het begin van het volgende jaar te overwegen voor de aflossing van de rekeningcourantschuld, om zo oplopende rente te voorkomen.

Box 3 waardering woningen: WOZ-waarde of taxatiewaarde
Voor de belastingheffing van woningen in box 3 wordt de WOZ-waarde gehanteerd. Deze waarde wordt bepaald met als waardepeildatum 1 januari van het jaar voorafgaand aan het belastingjaar. Voor de aangifte inkomstenbelasting 2024 is de relevante WOZ-waarde dus bepaald met een waardepeildatum van 1 januari 2023. Indien u van mening bent dat de waarde in het economische verkeer aanzienlijk lager (10% of meer) is dan de WOZ-waarde (gecorrigeerd met onder meer de leegwaarderatio), kunt u de taxatiewaarde (vastgesteld in een taxatierapport, hetgeen uiteraard kosten met zich meebrengt), zoals deze gold per dezelfde waardepeildatum (althans dat was qua waardepeildatum het standpunt van de Hoge Raad bijna 10 jaar geleden) als de WOZ-waarde, in uw aangifte inkomstenbelasting gebruiken. Een dergelijke lagere waardering leidt tot een lager fictief rendement en kan mogelijk eveneens helpen om een eventueel lager werkelijk rendement te onderbouwen.

Bij de overgang naar een box 3-heffing gebaseerd op werkelijk rendement, met een beoogde invoeringsdatum van thans 1 januari 2029, of in geval van een gefaseerde invoering, kan een zogenaamde ‘step-up’-regeling van toepassing zijn. Dit betekent mogelijk dat de verkrijgingsprijs van het vastgoed, die wordt gebruikt voor het berekenen van het werkelijke rendement bij verkoop, wordt vastgezet op de waarde zoals deze is aangegeven in de aangifte van het jaar voorafgaand aan de stelselwijziging. Een lagere taxatiewaarde kan in dat geval leiden tot een hogere belastingheffing bij verkoop, aangezien een lagere verkrijgingsprijs het verschil met de verkoopprijs vergroot en daardoor een hoger belastbaar bedrag oplevert. Het kan dus mogelijk van belang zijn om op enig moment toch weer aan te sluiten bij de WOZ-waarde (met leegwaardecorrectie) in de aangifte inkomstenbelasting.

TIP/actiepunt: maak een weloverwogen keuze tussen de WOZ-waarde of taxatiewaarde in box 3.

Rechtsherstel box 3: belastingjaar 2019
In oktober en november 2024 heeft de Belastingdienst brieven verstuurd aan personen van wie de aanslag inkomstenbelasting 2019 nog niet onherroepelijk vaststond op 24 december 2021. In deze brieven wijst de Belastingdienst op de mogelijkheid om een verzoek om ambtshalve herziening in te dienen voor de aanslag inkomstenbelasting 2019.

TIP/actiepunt: indien u zich in deze situatie bevindt, is het raadzaam om snel te handelen. Overleg vóór het einde van het jaar met ons om te beoordelen of het indienen van een verzoek ambtshalve vermindering in uw geval noodzakelijk is.

Aanvraag voorlopige aanslagen
Om belastingrente te beperken, adviseren wij om tijdig voorlopige aanslagen aan te vragen voor het jaar 2024. Dit geldt tevens voor voorgaande jaren, indien u verwacht over die jaren nog een bedrag verschuldigd te zijn en de betreffende aangifte nog niet is ingediend.

TIP/actiepunt: door tijdig en proactief te handelen, kunnen potentieel excessieve rentelasten worden voorkomen.

Aandachtspunt behandeling voor de omzetbelasting van specifiek toerekenbare kosten
Btw op kosten die specifiek zien op bijvoorbeeld (delen van) een gebouw dat btw-belast wordt gebruikt, kan volledig in aftrek worden gebracht. Een voorbeeld hiervan is wanneer een (btw) ondernemer schilderwerkzaamheden laat uitvoeren aan 10 verschillende (zelfstandige) verhuurde panden, waarvan er slechts één pand btw-belast wordt verhuurd. De kosten van de schilderwerkzaamheden die betrekking hebben op dit specifieke btw-belast verhuurde pand kunnen direct aan dat pand worden toegerekend, waardoor de btw op die kosten als voorbelasting volledig in aftrek kunnen worden gebracht. Van belang daarbij is wel, om de kans op discussie te voorkomen, dat helder is wat de kosten van het schilderwerk voor dat specifieke pand zijn geweest. Als dat niet of onvoldoende duidelijk is, bestaat het risico dat de Belastingdienst het standpunt inneemt dat het gaat om algemene kosten waarvan de aftrek van de btw, in beginsel, wordt bepaald door de verhouding tussen btw-belaste omzet ten opzichte van de totale omzet.

TIP/actiepunt: bij kosten die rechtstreeks kunnen worden toegerekend aan een bepaald goed of een specifieke activiteit, is het essentieel dat de factuur voldoende onderbouwing biedt om dit aannemelijk te maken. De factuuromschrijving van de geleverde diensten speelt hierbij een cruciale rol. Indien de factuur niet voldoende duidelijkheid biedt, adviseren wij om contact op te nemen met de leverancier en een aangepaste factuur te verzoeken waarin de specificatie van de kosten nauwkeuriger wordt omschreven. Dit helpt bij een correcte fiscale verwerking en voorkomt mogelijke vragen of correcties van de Belastingdienst.

Behoefte aan nader advies?
Aarzel niet en neem contact met ons op!

René Maat

ram@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 84

Ton Oostenrijk

ajo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 83

De Cuserstraat 93

1081 CN Amsterdam

 

Postbus 75638

1070 AP Amsterdam

T +31 20 573 03 60

 

info@rechtstaete.nl

www.rechtstaete.nl

 

Luc van Dijk

lvd@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 97

Léon Borkes

lbo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 98

Beer van den Broek

bvb@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 66

Natasha Konings

nko@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 68

Dick van der Pal

dvp@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 39

Matthijs Monteban

mmo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 90

Rick Philips

rph@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 69 

 

 

 

 

Eindejaarsnieuwsbrief 2023

Hierbij doen wij u onze eindjeaarsnieuwsbrief toekomen 20231205 Eindejaarsnieuwsbrief 2023

Vijftig tinten grijs in de vastgoedfiscaliteit

Fiscaliteit is tegen wil en dank hét Nederlandse gespreksonderwerp: voor het vastgoed zijn er nog een paar extra valkuilen. Lees verder: Taxspecial

Wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap

In onze nieuwsbrief van maart 2019 informeerden wij u over het veelbesproken concept wetsvoorstel om ‘’excessief’’ (meer dan € 500.000) lenen bij de eigen vennootschap te ontmoedigen. Het concept wetsvoorstel is destijds ter consultatie aangeboden zodat hier door belanghebbenden op gereageerd kon worden. Op 17 juni 2020 is het uiteindelijke wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer. Door de coronacrisis gaat het wetsvoorstel volgens planning een jaar later (2023) in dan eerder (2022) de bedoeling was. Lees verder:Nieuwsbrief excessief lenen bij eigen vennootschap

Wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap

Op 4 maart 2019 is het conceptwetsvoorstel “excessief” lenen van de eigen vennootschap gepubliceerd. Het Kabinet voorzien een incidentele belastingopbrengst van € 1,35 miljard in verband met verwacht anticipatiegedrag in 2019. Dit conceptwetsvoorstel, aangekondigd op Prinsjesdag 2018, is bedoeld om input van belanghebbenden te krijgen. enige tijd na afloop van deze zogenaamde consultatieronde (1 april 2019) zal het definitieve wetsvoorstel worden ingediend. Lees meer: Excessief lenen bij eigen vennootschap