Geen kerstgedachte bij het Ministerie van Financiën

Een paar dagen voor kerst spreekt de nieuwbakken Staatssecretaris van Financiën….lees verder: Geen kerstgedachte bij het Ministerie van Financiën LVD

Eindejaarstips 2024 en aandachtspunten 2025

Eindejaarstips 2024 en aandachtspunten 2025

Het einde van het jaar nadert met rasse schreden. Hierbij enige (fiscale) tips voor het einde van dit jaar en aandachtspunten voor het volgende jaar.

Btw-behandeling van de servicekosten per 1 januari 2025
Op basis van beleid dat geldt tot en met 31 december a.s. zijn, in beginsel, de servicekosten voor de verhuur van woningen in de meeste gevallen vrijgesteld van btw, terwijl servicekosten voor commerciële ruimten belast zijn met btw, zelfs als de verhuur zelf is vrijgesteld. Vanaf 1 januari 2025 moet volgens nieuw beleid voor zowel woon- als commerciële ruimten beoordeeld worden of de servicekosten een zelfstandige prestatie vormen, die in principe btw-plichtig zijn, of dat deze opgaan in de verhuur en daarmee de btw-behandeling van de verhuur (belast of vrijgesteld) volgen.

Per 1 januari 2025 dienen de servicekosten als volgt te worden gecategoriseerd:

  1. Kosten die worden afgerekend op basis van werkelijk verbruik worden in principe aangemerkt als een zelfstandige btw-belaste dienst. Dit geldt bijvoorbeeld voor het gebruik van nutsvoorzieningen zoals gas, elektriciteit, water, en warmte of koude, mits er een individuele meter is en op basis van daadwerkelijk verbruik wordt gefactureerd.
  2. Kosten waarvoor huurders individueel of gezamenlijk beslissingsbevoegd zijn om de dienstverlener te kiezen, worden in beginsel als zelfstandige btw-belaste diensten beschouwd. In de praktijk ligt deze bevoegdheid vaak bij de verhuurder, waardoor deze servicekosten de btw-behandeling van de verhuur volgen, zoals bij schoonmaak van algemene ruimtes en beveiliging.
  3. Overige servicekosten worden doorgaans als bijkomende kosten bij de verhuur beschouwd en volgen de btw-behandeling van de verhuur.

TIP/actiepunt: beoordeel per huurovereenkomst welke servicekosten worden doorberekend en bepaal of deze onder de zelfstandige btw-belaste diensten vallen of de btw-behandeling van de verhuur volgen. Desgewenst kunnen wij u bij deze beoordeling assisteren.

Aanpassing earningstrippingmaatregel per 1 januari 2025
De earningstrippingmaatregel (ook wel bekend als de generieke renteaftrekbeperking) betreft een maatregel die de aftrek van rente voor de vennootschapsbelasting beperkt. Op basis van deze maatregel is de rente (momenteel) slechts aftrekbaar tot (i) 20% van de fiscale EBITDA (hierna: ‘procentuele renteaftrekdrempel’) of als dat hoger is (ii) € 1.000.000 (hierna: “vaste renteaftrekdrempel”). Per 1 januari 2025 wordt de procentuele renteaftrekdrempel verhoogd van 20% naar 24,5%.

Het schrappen van de vaste renteaftrekdrempel voor vastgoedvennootschappen (vennootschappen met vastgoed dat aan derden wordt verhuurd) gaat gelukkig niet door.

TIP/actiepunt: monitor uw rentesaldi zorgvuldig (zeker wanneer u met meerdere vennootschappen werkt) om een duidelijk overzicht te krijgen van de toepassing van de renteaftrekbeperking.

Aanpassing samenloopvrijstelling overdrachtsbelasting bij aandelentransacties
Bij de verkrijging van bouwterreinen en nieuwbouwvastgoed is, onder bepaalde voorwaarden, een vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing. In 2011 heeft de Hoge Raad bepaald dat deze vrijstelling ook van toepassing is bij de verkrijging van aandelen in vastgoedvennootschappen die dergelijk vastgoed bezitten.

Per 1 januari 2025 vervalt deze vrijstelling echter voor de verkrijging van aandelen in vastgoedvennootschappen die meer dan 10% btw vrijgestelde prestaties verrichten. Vanaf deze datum, met uitzondering van situaties waarin met succes een beroep wordt gedaan op overgangsrecht, geldt bij dergelijke verkrijgingen een verlaagd overdrachtsbelastingtarief van 4%, dat wordt berekend over de werkelijke waarde van het vastgoed.

TIP/actiepunt: probeer, indien mogelijk, nog dit jaar een levering van aandelen van vennootschappen met bouwterreinen, nieuwbouw in aanbouw en gerealiseerde nieuwbouw te realiseren als sprake is van (voorgenomen) btw vrijgestelde prestaties.

Einde Open CV en wijziging definitie FGR per 1 januari 2025. Vermijden fiscale afrekening als gevolg van besloten worden per 1 januari 2025
Vanaf 1 januari 2025 is de open commanditaire vennootschap (“Open CV”) in de meest gevallen niet langer zelfstandig belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Een fonds voor gemene rekening (“FGR”) is alleen nog belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting als het (i) kwalificeert als een beleggingsfonds in de zin van artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht (“Wft”) en (ii) de participaties verhandelbaar zijn. De participaties worden als niet verhandelbaar aangemerkt als deze slechts kunnen worden vervreemd aan het FGR (“inkoopvariant”).

Als gevolg van het besloten worden van CV’s en (bepaalde) FGR’s kan er vennootschapsbelasting, dividendbelasting en inkomstenbelasting verschuldigd zijn. Door toepassing van het overgangsrecht kan deze heffing in bepaalde gevallen worden voorkomen. Hiervoor is echter actie in 2024 vereist. In zijn algemeenheid komt die actie neer op het inbrengen van de CV en/of FGR participaties in een B.V.

TIP/actiepunt: ga na of u participeert in een open CV en/of FGR. Mocht er in uw geval nog geen actie zijn genomen neem dan zo snel mogelijk contact met ons op.

Mogelijke kwalificatie besloten CV/maatschap e.d. als FGR. Vermijden risico op belastingplicht voor de vennootschapsbelasting
Zoals hiervoor reeds vermeld, wordt per 1 januari 2025 de definitie van het FGR aangepast, zodat deze onder meer in lijn is met de definitie van beleggingsfondsen als bedoeld in artikel 1:1 Wft. Er heerst echter enige onrust, omdat een fiscaal transparante CV/maatschap/stichting administratiekantoor met gecertificeerd vastgoed (hierna gezamenlijk ook CV genoemd) volgens het Ministerie van Financiën ook onder deze nieuwe definitie van het FGR zouden kunnen vallen. Dit zou tot gevolg hebben dat een CV met ingang van 1 januari 2025, vennootschapsbelastingplichtig zou kunnen worden. Naar aanleiding van de ontstane zorgen hebben wij op 21 oktober 2024 en op 11 december 2024 nieuwsbrieven gepubliceerd met onze visie en de mogelijke gevolgen. Kort samengevat, stelt de Staatssecretaris dat een CV en/of een maatschap en/of stichting administratiekantoor mogelijk als een FGR kan kwalificeren en wordt geadviseerd om de verhandelbaarheid van het fonds – oftewel het toestemmingsvereiste – aan te passen naar de “inkoopvariant”, zoals die vanaf 1 januari 2025 voor FGR’s gaat gelden.

Aangezien het wijzigen van de fondsvoorwaarden doorgaans tijdrovend is, is er overgangsrecht geïntroduceerd. Om fiscale transparantie te waarborgen, is het van essentieel belang dat besloten CV/FGR’s/maatschappen en stichtingen administratiekantoren die vanaf 1 januari 2025 mogelijk als open FGR kwalificeren (en daarvoor niet), uiterlijk eind 2024 vastleggen dat zij voornemens zijn om de inkoopvariant in hun (fonds)voorwaarden op te nemen in 2025. Deze bekendmaking dient te worden gedaan door de persoon of het orgaan met de besturende functie (bijvoorbeeld de beherende vennoot bij een CV). In onze eerder genoemde nieuwsbrieven vindt u een uitgebreide toelichting.

TIP/actiepunt: neem contact met ons op om tijdig te beoordelen of in 2024 een schriftelijke vastlegging van het voornemen tot opname van de inkoopvariant noodzakelijk is. Dit is essentieel om – met succes – een beroep te kunnen doen op het overgangsrecht en vennootschapsbelastingplicht te voorkomen.

Overige tips:

Vormen/benutten herinvesteringsreserve
Als uw vennootschap een boekwinst heeft gemaakt op beleggingsvastgoed en u heeft een herinvesteringsvoornemen, dan kunt u deze boekwinst gedurende drie jaar (in sommige situaties is zelfs een langere termijn mogelijk) na het jaar van verkoop van het beleggingsvastgoed uitstellen middels het vormen van een herinvesteringsreserve. Van belang daarbij is dat uw vennootschap een reëel en bewijsbaar voornemen heeft om tot aan het bedrag van de verkoopopbrengst te herinvesteren in vervangend beleggingsvastgoed. Na herinvestering binnen de hiervoor genoemde periode mag de herinvesteringsreserve worden afgeboekt op het investeringsbedrag van het vervangende beleggingsvastgoed. Indien de herinvesteringsreserve niet tijdig wordt benut, zal deze in beginsel belast vrijvallen in de (fiscale) winst.

TIP/actiepunt: leg uw herinvesteringsvoornemen in het kader van de herinvesteringsreserve uiterlijk per jaareinde schriftelijk vast in een directiebesluit. Zorg tevens voor een tijdige benutting van de herinvesteringsreserve om belaste vrijval te voorkomen.

Excessief lenen
De wetgeving tegen excessief lenen belast het totaal van de schulden aan eigen vennootschappen voor zover die schulden (van u en uw fiscale partner met eventuele toerekening van schulden van kinderen voor zover zij zelf meer dan € 500.000 hebben geleend van uw vennootschappen zonder dat zij zelf aandeelhouder zijn) gezamenlijk genomen op 31 december 2024 meer bedragen dan € 500.000. Van een eigen vennootschap is sprake bij een aanmerkelijk belang (box 2 voor de inkomstenbelasting) in een vennootschap. Vorderingen op de eigen vennootschap mogen, om te bepalen of het bedrag van € 500.000 is overschreden, niet worden gesaldeerd met de schulden.

Het excessieve deel van de schuld per jaareinde wordt belast tegen het box 2-tarief. Voor 2024 bedraagt dit tarief 24,5% tot een belastbaar inkomen van € 67.000 (bij fiscale partners
€ 134.000), terwijl over het belastbaar inkomen dat de € 67.000 (bij fiscale partners € 134.000) overschrijdt een tarief van 33% geldt.

TIP/actiepunt: probeer er zoveel mogelijk voor te zorgen dat vorderingen en schulden op de eigen vennootschap(pen) voor jaareinde – daadwerkelijk – met elkaar zijn verrekend (documenteren). Overleg voor jaareinde met ons of er nog verdere mogelijkheden zijn om heffing te vermijden/beperken.

Box 2 benutting eerste schijf
Per 1 januari 2025 zal het tarief voor de tweede schijf in box 2 (inkomen uit aanmerkelijk belang boven de € 67.000 en bij fiscale partners € 134.000) worden verlaagd van 33% naar 31%. Het tarief voor de eerste schijf blijft ongewijzigd op 24,5%.

TIP/actiepunt: indien er nog een uitkeerbare reserve aanwezig is en er binnen de eerste schijf van box 2 (tot € 67.000) nog ruimte is, kan het fiscaal voordelig zijn om deze reserves vóór het jaareinde uit te keren. Dit stelt u in staat optimaal te profiteren van het lagere tarief in de eerste schijf. Tevens is het raadzaam om een dividenduitkering aan het begin van het volgende jaar te overwegen voor de aflossing van de rekeningcourantschuld, om zo oplopende rente te voorkomen.

Box 3 waardering woningen: WOZ-waarde of taxatiewaarde
Voor de belastingheffing van woningen in box 3 wordt de WOZ-waarde gehanteerd. Deze waarde wordt bepaald met als waardepeildatum 1 januari van het jaar voorafgaand aan het belastingjaar. Voor de aangifte inkomstenbelasting 2024 is de relevante WOZ-waarde dus bepaald met een waardepeildatum van 1 januari 2023. Indien u van mening bent dat de waarde in het economische verkeer aanzienlijk lager (10% of meer) is dan de WOZ-waarde (gecorrigeerd met onder meer de leegwaarderatio), kunt u de taxatiewaarde (vastgesteld in een taxatierapport, hetgeen uiteraard kosten met zich meebrengt), zoals deze gold per dezelfde waardepeildatum (althans dat was qua waardepeildatum het standpunt van de Hoge Raad bijna 10 jaar geleden) als de WOZ-waarde, in uw aangifte inkomstenbelasting gebruiken. Een dergelijke lagere waardering leidt tot een lager fictief rendement en kan mogelijk eveneens helpen om een eventueel lager werkelijk rendement te onderbouwen.

Bij de overgang naar een box 3-heffing gebaseerd op werkelijk rendement, met een beoogde invoeringsdatum van thans 1 januari 2029, of in geval van een gefaseerde invoering, kan een zogenaamde ‘step-up’-regeling van toepassing zijn. Dit betekent mogelijk dat de verkrijgingsprijs van het vastgoed, die wordt gebruikt voor het berekenen van het werkelijke rendement bij verkoop, wordt vastgezet op de waarde zoals deze is aangegeven in de aangifte van het jaar voorafgaand aan de stelselwijziging. Een lagere taxatiewaarde kan in dat geval leiden tot een hogere belastingheffing bij verkoop, aangezien een lagere verkrijgingsprijs het verschil met de verkoopprijs vergroot en daardoor een hoger belastbaar bedrag oplevert. Het kan dus mogelijk van belang zijn om op enig moment toch weer aan te sluiten bij de WOZ-waarde (met leegwaardecorrectie) in de aangifte inkomstenbelasting.

TIP/actiepunt: maak een weloverwogen keuze tussen de WOZ-waarde of taxatiewaarde in box 3.

Rechtsherstel box 3: belastingjaar 2019
In oktober en november 2024 heeft de Belastingdienst brieven verstuurd aan personen van wie de aanslag inkomstenbelasting 2019 nog niet onherroepelijk vaststond op 24 december 2021. In deze brieven wijst de Belastingdienst op de mogelijkheid om een verzoek om ambtshalve herziening in te dienen voor de aanslag inkomstenbelasting 2019.

TIP/actiepunt: indien u zich in deze situatie bevindt, is het raadzaam om snel te handelen. Overleg vóór het einde van het jaar met ons om te beoordelen of het indienen van een verzoek ambtshalve vermindering in uw geval noodzakelijk is.

Aanvraag voorlopige aanslagen
Om belastingrente te beperken, adviseren wij om tijdig voorlopige aanslagen aan te vragen voor het jaar 2024. Dit geldt tevens voor voorgaande jaren, indien u verwacht over die jaren nog een bedrag verschuldigd te zijn en de betreffende aangifte nog niet is ingediend.

TIP/actiepunt: door tijdig en proactief te handelen, kunnen potentieel excessieve rentelasten worden voorkomen.

Aandachtspunt behandeling voor de omzetbelasting van specifiek toerekenbare kosten
Btw op kosten die specifiek zien op bijvoorbeeld (delen van) een gebouw dat btw-belast wordt gebruikt, kan volledig in aftrek worden gebracht. Een voorbeeld hiervan is wanneer een (btw) ondernemer schilderwerkzaamheden laat uitvoeren aan 10 verschillende (zelfstandige) verhuurde panden, waarvan er slechts één pand btw-belast wordt verhuurd. De kosten van de schilderwerkzaamheden die betrekking hebben op dit specifieke btw-belast verhuurde pand kunnen direct aan dat pand worden toegerekend, waardoor de btw op die kosten als voorbelasting volledig in aftrek kunnen worden gebracht. Van belang daarbij is wel, om de kans op discussie te voorkomen, dat helder is wat de kosten van het schilderwerk voor dat specifieke pand zijn geweest. Als dat niet of onvoldoende duidelijk is, bestaat het risico dat de Belastingdienst het standpunt inneemt dat het gaat om algemene kosten waarvan de aftrek van de btw, in beginsel, wordt bepaald door de verhouding tussen btw-belaste omzet ten opzichte van de totale omzet.

TIP/actiepunt: bij kosten die rechtstreeks kunnen worden toegerekend aan een bepaald goed of een specifieke activiteit, is het essentieel dat de factuur voldoende onderbouwing biedt om dit aannemelijk te maken. De factuuromschrijving van de geleverde diensten speelt hierbij een cruciale rol. Indien de factuur niet voldoende duidelijkheid biedt, adviseren wij om contact op te nemen met de leverancier en een aangepaste factuur te verzoeken waarin de specificatie van de kosten nauwkeuriger wordt omschreven. Dit helpt bij een correcte fiscale verwerking en voorkomt mogelijke vragen of correcties van de Belastingdienst.

Behoefte aan nader advies?
Aarzel niet en neem contact met ons op!

René Maat

ram@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 84

Ton Oostenrijk

ajo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 83

De Cuserstraat 93

1081 CN Amsterdam

 

Postbus 75638

1070 AP Amsterdam

T +31 20 573 03 60

 

info@rechtstaete.nl

www.rechtstaete.nl

 

Luc van Dijk

lvd@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 97

Léon Borkes

lbo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 98

Beer van den Broek

bvb@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 66

Natasha Konings

nko@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 68

Dick van der Pal

dvp@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 39

Matthijs Monteban

mmo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 90

Rick Philips

rph@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 69 

 

 

 

 

Leuker kunnen ze het niet maken, ingewikkelder wel

Als vastgoedfiscalist is het einde van het jaar meestal een drukke tijd. Ik heb echter het idee dat de politiek denkt dat we het nog niet druk genoeg hebben. Lees verder: Leuker kunnen ze het niet maken ingewikkelder wel

Actie vereist in 2024 – Nieuwsbrief wijziging definitie ‘fonds voor gemene rekening’ (FGR) per 1 januari 2025 en het overgangsrecht

Wijziging definitie ‘fonds voor gemene rekening’ (FGR) per 1 januari 2025 en het overgangsrecht – actie vereist in 2024

In deze nieuwsbrief belichten wij de acties die vóór het einde van het jaar moeten worden ondernomen in verband met de invoering van de nieuwe definitie van een fonds voor gemene rekening (‘FGR’) per 1 januari 2025. Zoals wij in onze eerdere nieuwsbrief hebben belicht, brengt de wijziging van de definitie van het begrip ‘FGR’ niet alleen gevolgen (mogelijke vennootschapsbelastingplicht/verlies fiscale transparantie) met zich mee voor de FGR’s zelf, maar ook voor andere rechtsvormen zoals bijvoorbeeld commanditaire vennootschappen (CV’s).

Gevolgen nieuwe definitie FGR

Het begrip ‘FGR’ is vormvrij, wat betekent dat naast de CV’s ook andere rechtsvormen onder de nieuwe definitie van het ‘FGR’ kunnen vallen, waardoor de toepassing van het overgangsrecht ook gewenst kan zijn. Bijvoorbeeld bij een maatschap. Derhalve adviseren wij om bij de volgende samenwerkingsverbanden en rechtspersonen expliciet stil te staan:

  • Bestaande FGR’s;
  • CV’s en CV-achtige structuren;
  • Maatschappen; en
  • Stichtingen administratiekantoor (STAK’s) die gecertificeerd vastgoed bezit.

Overgangsrecht

Actiepunt: om fiscale transparantie te waarborgen, is het van essentieel belang dat besloten beleggings-CV’s, maatschappen, bestaande FGR’s en bepaalde STAK’s die vanaf 1 januari 2025 als open FGR kwalificeren, uiterlijk eind 2024 kenbaar maken dat zij voornemens zijn om de inkoopvariant op te nemen in 2025. Deze bekendmaking dient te worden gedaan door de persoon of het orgaan met de besturende functie (bijvoorbeeld de beherende vennoot bij een CV).

Dit voornemen dient schriftelijk te worden vastgelegd, bijvoorbeeld door het opstellen van notulen of het verzenden van een e-mail aan de commanditaire vennoten (in het geval van een CV).

De vereiste wijzigingen in de CV-overeenkomst, maatschapsovereenkomst of fondsvoorwaarden dienen uiterlijk op 31 december 2025 te zijn doorgevoerd indien gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Wij adviseren veiligheidshalve altijd (ook al denkt u dat er geen risico is op vennootschapsbelastingplicht) het voornemen tot het opnemen van de inkoopvariant vast te leggen in 2024. In 2025 kan dan nader worden bekeken of het inderdaad noodzakelijk
is de fondsvoorwaarden te wijzigen om de fiscale transparantie te behouden/vennootschapsbelastingplicht te vermijden.

Behoefte aan nader advies?

Aarzel niet en neem contact met ons op!

René Maat

ram@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 84

Ton Oostenrijk

ajo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 83

De Cuserstraat 93

1081 CN Amsterdam

 

Postbus 75638

1070 AP Amsterdam

T +31 20 573 03 60

 

info@rechtstaete.nl

www.rechtstaete.nl

 

Luc van Dijk

lvd@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 97

Léon Borkes

lbo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 98

Beer van den Broek

bvb@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 66

Natasha Konings

nko@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 68

Dick van der Pal

dvp@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 39

Matthijs Monteban

mmo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 90

Rick Philips

rph@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 69 

 

 

 

 

Keuzestress voor de vastgoedbelegger: vastgoed in box 3 houden of toch naar box 1 of box 2?

De vele veranderingen in box 3 maken dat veel vastgoedbeleggers kijken naar alternatieven voor deze box. De vele alternatieven maken dat menigeen door de bomen het bos niet meer ziet en wordt geconfronteerd met keuzestress. Goed om dan maar weer eens een aantal keuzemogelijkheden op een rij te zetten. Lees verder:Column Maat

Anticiperen is een kunst

Wat goed is, komt snel. Een aantal weken geleden presenteerde het Kabinet haar fiscale plannen. Het was immers ….. lees verder: 202410256 Column PNL AJO Anticiperen is een kunst

Wijziging definitie FGR

Wijziging definitie ‘fonds voor gemene rekening’ (FGR) per 1 januari 2025 en mogelijke gevolgen voor commanditaire vennootschappen
In deze nieuwsbrief bespreken wij de gevolgen van deze wijziging voor bestaande en nog op te richten FGR’s, alsmede de mogelijke gevolgen voor de commanditaire vennootschap (CV) en de buitenlandse CV-achtige. Er is in de fiscale vastgoedpraktijk namelijk enige onrust ontstaan, omdat een (besloten) ‘CV’, die per 1 januari 2025 als fiscaal transparant wordt aangemerkt, mogelijk ook onder de nieuwe definitie van ‘FGR’ valt, waarbij deze laatste regel voor gaat. Het gevolg hiervan is geen fiscale transparantie van de CV en – daarmee – belastingplicht voor de vennootschapsbelasting.

De huidige wet (FGR)
Een zogenoemde ‘open’ FGR is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Onder de huidige wet wordt onder ‘FGR’ verstaan:

“(…) een fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden, mits de deelgerechtigdheid in het fonds blijkt uit verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid.”

Een FGR waarvan de bewijzen van deelgerechtigdheid niet ‘verhandelbaar’ zijn, is fiscaal transparant. Bewijzen van deelgerechtigdheid in een FGR worden als ‘niet-verhandelbaar’ aangemerkt als ofwel voor vervreemding ervan de toestemming van alle deelgerechtigden vereist is (‘toestemmingsvariant’), ofwel als vervreemding uitsluitend kan plaatsvinden aan het FGR zelf (‘inkoopvariant’) of aan bloed- en aanverwanten in de rechte linie.

Het wetsvoorstel (FGR)
Vanaf 1 januari 2025 wordt het begrip ‘FGR’ gewijzigd door aan te sluiten bij de definitie van  ‘beleggingsfonds’ (of ‘fonds voor collectieve belegging in effecten’) als bedoeld in artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht (Wft). Een beleggingsfonds in de zin van artikel 1:1 Wft is:

“een niet in een beleggingsmaatschappij ondergebracht vermogen waarin ter collectieve belegging gevraagde of verkregen gelden of andere goederen zijn of worden opgenomen teneinde de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen te doen delen.”

Voor het zijn van een transparante FGR blijft daarnaast vereist dat de bewijzen van deelgerechtigdheid niet-verhandelbaar zijn. Hierbij vervalt de mogelijkheid van de zogenoemde toestemmingsvariant: het is met ingang van 2025 niet langer in de wet geregeld dat bewijzen van deelgerechtigdheid in het fonds niet-verhandelbaar zijn als voor de vervreemding de toestemming van alle deelgerechtigden is vereist.

Ook de bepaling dat bewijzen van deelgerechtigdheid als niet-verhandelbaar worden aangemerkt als ze enkel kunnen worden vervreemd aan bloed- en aanverwanten in de rechte linie vervalt. Met andere woorden: alleen indien de vervreemding uitsluitend kan plaatsvinden aan het FGR zelf, worden de bewijzen van deelgerechtigdheid in het FGR per 1 januari 2025 als niet-verhandelbaar aangemerkt. Om aldus voor fiscale transparantie in aanmerking te komen moet een dergelijke FGR die voldoet aan de definitie van 1:1 Wft er voor zorgen dat bewijzen van deelgerechtigdheid uitsluitend kunnen worden vervreemd aan het FGR zelf.

CV’s en CV-achtigen
De CV wordt per 1 januari 2025 fiscaal transparant (het onderscheid tussen de open en besloten CV verdwijnt). In de praktijk is gesignaleerd dat een ogenschijnlijk transparante ‘CV’ mogelijk ook onder de nieuwe definitie van ‘FGR’ kan vallen, waardoor voor CV’s of CV-achtigen alsnog non-transparantie en dus belastingplicht voor de vennootschapsbelasting dreigt.

Deze conclusie is met name het gevolg van uitingen van de staatssecretaris van Financiën in de parlementaire behandeling van de wetswijziging. Hierin wordt namelijk geopperd dat een FGR ook de vorm van een CV kan aannemen, waarbij de juridische beoordeling of sprake is van een FGR voorgaat op die van een CV. In de fiscale literatuur wordt in reactie hierop – met name op basis van de huidige praktijk – gesteld dat er geen overlap bestaat tussen de CV (een personenvennootschap) en het FGR: als sprake is van een CV die fiscaal ‘open’ is, is deze belastingplichtig, anders is de CV fiscaal transparant (aan de toets of sprake is van een FGR wordt dan niet meer toegekomen).

De juistheid van de stelling van de staatssecretaris zou mogelijk tot gevolg hebben dat (ook) de tot 1 januari 2025 als besloten aangemerkte beleggings-CV’s al vóór 1 januari als belastingplichtig kunnen worden aangemerkt. Bij beleggings-CV’s is het namelijk veelal zo dat het belang van de beherend vennoot ook zonder toestemming van alle vennoten kan worden vervreemd. Voor het belang van de beherend vennoot geldt namelijk geen toestemmingsvereiste.

Mogelijk maakt het feit dat wanneer sprake is van een actieve beherend vennoot (bijvoorbeeld wanneer deze t.b.v. het fonds belegt en ook andere activiteiten verricht) dat niet langer sprake is van een beleggingsfonds, nu in dat geval immers niet meer enkel wordt belegd.

Vanuit de praktijk is (wederom) een dringende oproep gedaan aan de staatssecretaris van Financiën om het gesignaleerde knelpunt te verduidelijken dan wel aan te passen.

Conclusie
Het is zaak om bestaande besloten FGR’s te controleren op aanwezigheid van de toestemmingsvariant en mogelijke overdrachten aan bloed- en aanverwanten in de rechte linie. Dergelijke bepalingen dienen vóór jaareinde te worden verwijderd. Immers, de gewijzigde voorwaarden (inkoopvariant) dienen uiterlijk per 1 januari 2025 ingang te vinden om vennootschapsbelastingplicht te vermijden.

Voor bestaande CV’s is het eveneens kort dag, waardoor de praktijk gedwongen kan worden het risico om als niet transparante FGR aangemerkt te worden en daarmee vennootschapsbelastingplicht te voorkomen door de CV overeenkomst zodanig te wijzigen dat vanaf 1 januari 2025 enkel vervreemding van CV belangen mogelijk is door middel van de inkoopvariant. Veelal zal een dergelijke wijziging de toestemming/medewerking van alle vennoten vereisen. Hetgeen zeker gezien de korte periode die nog rest tot jaareinde geen eenvoudige opgave zal zijn. Hopelijk komt de Staatssecretaris snel met een oplossing voor dit door hemzelf opgeworpen probleem of op zijn minst met een lange overgangsperiode waarbinnen bestaande CV’s en FGR’s tijd wordt gegund om hun voorwaarden aan de nieuwe voorwaarden voor fiscale transparantie aan te passen. Een dergelijke aanpassing voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting is overigens niet zonder gevolgen voor andere belastingen, zoals bijvoorbeeld de overdrachtsbelasting.

Behoefte aan nader advies?
Aarzel niet en neem contact met ons op!

René Maat

ram@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 84

Ton Oostenrijk

ajo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 83

De Cuserstraat 93

1081 CN Amsterdam

 

Postbus 75638

1070 AP Amsterdam

T +31 20 573 03 60

 

info@rechtstaete.nl

www.rechtstaete.nl

 

Luc van Dijk

lvd@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 97

Léon Borkes

lbo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 98

Beer van den Broek

bvb@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 66

Natasha Konings

nko@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 68

Dick van der Pal

dvp@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 39

Matthijs Monteban

mmo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 90

Rick Philips

rph@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 69 

 

 

 

 

Prinsjesdag 2024

Prinsjesdag 2024

Op Prinsjesdag 2024 zijn het Belastingplan voor 2025 en overige wijzigingen bekend gemaakt. Hieronder treft u een selectie van de voornaamste punten voor de vastgoedpraktijk aangevuld met wijzigingen waartoe al voorafgaand aan Prinsjesdag is besloten.

Voorgestelde wijzigingen Prinsjesdag per 1 januari 2025

Renteaftrekbeperking

Op Prinsjesdag 2024 werd een wetsvoorstel gepresenteerd om de zogenaamde earningsstrippingmaatregel in de vennootschapsbelasting aan te passen vanaf 1 januari 2025. Deze maatregel beperkt de renteaftrek voor vennootschappen, waarbij rentelasten slechts aftrekbaar zijn tot (i) 20% van de fiscale EBITDA (hierna: ‘gecorrigeerde winst’) of (ii) € 1 miljoen. Het voorstel verhoogt de drempel van 20% naar 25% van de gecorrigeerde winst. Hiermee beoogt het kabinet het Nederlandse vestigingsklimaat te verbeteren.

Daarnaast zal de renteaftrekbeperking voor vastgoedlichamen worden verscherpt. Bij verhuurd vastgoed wordt volgens het kabinet de renteaftrek geoptimaliseerd door rentesaldi over meerdere vennootschappen te spreiden. Hierdoor blijft men onder de grenzen van de earnings-strippingmaatregel (€ 1.000.000 of 25% van de gecorrigeerde winst). Om dit te voorkomen, kunnen vennootschappen waarvan de bezittingen gedurende tenminste zes maanden binnen het desbetreffende boekjaar hoofdzakelijk (meer dan 70%) bestaan uit vastgoed dat direct of indirect ter beschikking wordt gesteld aan niet-verbonden derden voortaan geen gebruik meer maken van de € 1.000.000 grens. Deze vennootschappen hebben dus alleen nog maar aftrek tot 25% van de gecorrigeerde winst. Het ter beschikking stellen van onroerende zaken wordt niet geacht plaats te vinden bij normale zakelijke exploitatie in de dienstensector met kortstondig gebruik en zonder verdere relatie tussen eigenaar en gebruiker, zoals bij hotels, cafés, restaurants, tennishallen, bowlingbanen en squashbanen.

Buitenlands vastgoed, deelnemingen en vorderingen op verbonden rechtspersonen en natuurlijke personen tellen niet mee voor de vraag of de bezittingen voor 70% of meer bestaan uit vastgoed dat direct of indirect ter beschikking wordt gesteld aan niet-verbonden derden.

Actiepunt: Het is raadzaam de huidige structurering van uw vastgoedactiviteiten te beoordelen, aangezien de spreiding van deze activiteiten over meerdere vennootschappen geen rentevoordeel meer oplevert. Daarnaast kan de samenvoeging van vastgoedportefeuilles er in bepaalde gevallen mogelijk toe leiden dat niet langer wordt voldaan aan het 70%-criterium. Althans bekeken zou kunnen worden wat de effecten zijn als onverhuurd vastgoed in ontwikkeling wordt gemengd met verhuurd vastgoed. Enerzijds is dan de gecorrigeerde winst lager anderzijds kan dan wellicht voor het verhuurde vastgoed wel gebruik gemaakt worden van de € 1.000.000 grens.

Samenloop kwijtscheldingswinstvrijstelling en verliesverrekening

Door de beperking van de verliesverrekening sinds 2022 moeten bedrijven met meer dan € 1 miljoen aan verrekenbare verliezen en een belastbare winst (inclusief kwijtscheldingswinst) van meer dan € 1 miljoen altijd vennootschapsbelasting betalen. Dit bemoeilijkt het sluiten van akkoorden met schuldeisers. Om dit probleem aan te pakken, wordt voorgesteld de kwijtscheldingswinstvrijstelling aan te passen. Bedrijven met meer dan € 1 miljoen aan verrekenbare verliezen kunnen voortaan hun kwijtscheldingswinst volledig vrijstellen voor zover deze meer bedraagt dan de overige verliezen in het jaar.

Actiepunt: Stel een eventuele kwijtschelding van schulden indien mogelijk uit tot na 31 december 2024.

Aanpassing liquidatieverliesregeling

De liquidatieverliesregeling bepaalt of een verlies bij de liquidatie van een dochtermaatschappij aftrekbaar is voor de vennootschapsbelasting. Er wordt voorgesteld om deze regeling op twee punten te wijzigen:

  1. Rekening houden met latere opwaarderingen: Bij het berekenen van het liquidatieverlies worden latere opwaarderingen van vorderingen op dochtermaatschappijen meegenomen.
  2. Beperking omzetting verkoopverliezen: Niet-aftrekbare verkoopverliezen op indirect gehouden dochtermaatschappijen kunnen niet langer worden omgezet in aftrekbare liquidatieverliezen op direct gehouden dochtermaatschappijen.

Inhoudingsvrijstelling dividendbelasting

Voorgesteld wordt om de optionele inhoudingsvrijstelling voor dividenden verplicht te maken. Hierdoor hoeft er geen dividendbelasting meer te worden ingehouden en afgedragen, wat betekent dat de aandeelhouder geen liquiditeits- of rentenadeel meer ondervindt. Aandeelhouders zouden hiertegen echter wel bezwaar kunnen aantekenen.

Inkoopfaciliteit dividendbelasting

De dividendbelasting biedt een vrijstelling voor de inkoop van eigen aandelen door beursgenoteerde bedrijven, waardoor dividendbelasting onder voorwaarden kan worden vermeden. De vrijstelling geldt echter niet voor beursgenoteerde bedrijven die zich voornamelijk bezighouden met beleggen. Deze Inkoopfaciliteit zou oorspronkelijk per 1 januari 2025 worden afgeschaft, maar in het Belastingplan 2025 is besloten deze regeling te behouden.

Beperking giftenaftrek

Vanaf 1 januari 2025 wordt de giftenaftrek in de vennootschapsbelasting afgeschaft. Bedrijven kunnen giften aan goede doelen dan niet langer van hun winst aftrekken. Sponsoring en Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen blijven wel aftrekbaar als zakelijke kosten.

Actiepunt: bekijk of het gunstig is om als vennootschap voorgenomen giften nog dit jaar te doen.

Faciliteiten zusterfusie

Vereenvoudigde rechtstreekse zusterfusies, waarbij één aandeelhouder alle aandelen bezit van de fuserende vennootschappen, zullen voortaan kwalificeren voor fiscale doorschuiffaciliteiten. Dit voorkomt fiscale belemmeringen voor aanmerkelijkbelanghouders bij dergelijke fusies en verankert de bestaande goedkeuring in de wet. Voor indirecte zusterfusies blijft de regeling ongewijzigd vanwege minder behoefte in de praktijk en de grotere complexiteit. Een indirecte zusterfusie verwijst naar een fusie tussen zustermaatschappijen waarbij de aandelen van deze vennootschappen niet direct, maar via een tussenholding worden gehouden door dezelfde aandeelhouder(s).

Voorgestelde wijzigingen Prinsjesdag per 1 januari 2026

Kortdurende verhuurconstructies in de btw

Vanaf 1 januari 2026 wordt de btw-herzieningsregeling uitgebreid naar investeringsdiensten met betrekking tot onroerende zaken, die bijvoorbeeld zien op renovatie-, vervangings-, onderhouds- en herstelwerkzaamheden. Dit betekent dat de btw op deze diensten gedurende (maximaal) vijf jaar wordt gevolgd, vergelijkbaar met de regeling voor roerende investeringsgoederen. Er geldt een drempelbedrag van € 30.000, waardoor kleinere diensten niet onder deze regeling vallen. Met deze wijziging wordt beoogd om zogenaamde “short stay” verhuur situaties minder aantrekkelijk te maken. Het gaat dan bijvoorbeeld om kantoren die worden verbouwd tot woningen zonder dat die verbouwing leidt tot nieuw vastgoed voor de BTW. Op grond van de huidige wetgeving is BTW belaste gemeubileerde “short stay” verhuur gedurende enkel het jaar van ingebruikname voldoende om definitieve BTW aftrek te realiseren. Dat gaat dus vanaf 1 januari 2026 veranderen.

Actiepunt: Probeer verbouwingen tot/van woningen die niet leiden tot nieuwbouw voor de BTW die u in eerste instantie “short stay” wenst te verhuren nog in 2025 af te ronden en in hetzelfde jaar BTW belast “short stay” te verhuren.

Tarief overdrachtsbelasting voor niet eigen woningen 

Het kabinet streeft naar een uitbreiding van het aanbod aan huurwoningen, zodat meer mensen toegang krijgen tot betaalbare huisvesting. In dit kader wordt voorgesteld het reguliere tarief van de overdrachtsbelasting voor de aankoop van woningen per 1 januari 2026 (dus niet 1 januari 2025) te verlagen van 10,4% naar 8%. Voor woningen die door de koper voor langere tijd als hoofdverblijf worden gebruikt, blijft het verlaagde tarief van 2% of de startersvrijstelling gelden.

Actiepunt: Stel zo mogelijk verkrijgingen van woningen, niet zijn zijnde de eigen woning, uit tot na 31 december 2025. Aandachtspunt bij een dergelijk uitstel is onder meer dat overdrachtsbelasting verschuldigd is over de waarde van de woningen danwel de hogere tegenprestatie. Bij een waardestijging gedurende het uitstel van de levering kan dus de basis waarover overdrachtsbelasting wordt geheven toenemen.

Afschaffing verlaagd btw-tarief voor bepaalde diensten

Vanaf 1 januari 2026 wordt het verlaagde btw-tarief van 9% voor logies en bepaalde culturele goederen en diensten verhoogd naar 21%. Dit geldt onder andere voor hotels, pensions, boeken, sport, musea en muziek- en toneelvoorstellingen. Kamperen, attractieparken, speel- en siertuinen, circussen, dierentuinen en bioscopen zijn uitgezonderd van deze verhoging.

Let op: Het btw-tarief op het moment van de prestatie is van toepassing. Als bijvoorbeeld een theatervoorstelling in 2026 plaatsvindt maar in 2025 is betaald, is 21% btw verschuldigd. Als een abonnement bijvoorbeeld op een deel van 2025 en 2026 beslaat, zal voor het deel van 2026 een hoger btw-tarief van toepassing zijn.

Overige wijzigingen

Tarieven vennootschapsbelasting

Het vennootschapsbelastingtarief blijft in 2025 op het maximale niveau van 25,8%. Daarnaast blijft het verlaagde tarief van 19% voor fiscale winsten tot € 200.000 ook in 2025 van kracht.

Verlaging toptarief box 2

Per 1 januari 2024 is in box 2 een progressief tarief ingevoerd waarbij een tarief van 24,5% geldt voor een box 2-inkomen tot € 67.000, en een tarief van 33% voor het meerdere. Voor het belastingjaar 2025 zal het hoge tarief worden verlaagd naar 31%.

Box 3

Het belastingtarief in box 3 blijft 36% over het fictief behaalde rendement.

Een nieuw groepsbegrip in de Wet bronbelasting

Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan gelieerde bedrijven in laagbelastende landen of bij kunstmatige constructies om belasting te vermijden. Vanaf 1 januari 2024 vallen ook dividendbetalingen onder deze regels, met een tarief van 25,8%. Een bedrijf wordt als gelieerd beschouwd als het meer dan 50% van de stemrechten heeft in een ander bedrijf.

In 2025 wordt een nieuwe definitie van ‘kwalificerende eenheid’ ingevoerd voor de bronbelasting. Deze ziet op groepen bedrijven die gezamenlijk handelen om belasting te ontwijken. De bewijslast hiervoor ligt bij de belastinginspecteur.

Voorkoming dubbeltelling excessief lenen

Sinds 2023 mogen directeur-grootaandeelhouders (dga’s) niet meer dan € 500.000 (2024) (in 2023: € 700.000) lenen van hun eigen vennootschap zonder fiscale consequenties. Een onbedoeld effect van deze maatregel was dat er dubbeltellingen ontstonden bij leningen in samenwerkingsverbanden zoals vennootschappen onder firma (vof’s) en commanditaire vennootschappen (cv’s). Deze dubbeltellingen worden met terugwerkende kracht per
1 januari 2023 gecorrigeerd. Bovendien wordt voorkomen dat schulden voor meer dan de nominale waarde worden meegenomen. Overigens zijn er geluiden dat de regeling met betrekking tot excessief lenen niet door de Europese beugel zou kunnen. Indien de regeling tot heffing leidt kan het daardoor verstandig zijn om bezwaar aan te tekenen tegen de aanslag waarin deze heffing is begrepen.

Actiepunt: Maak bezwaar tegen een aanslag waarin een heffing op grond van de excessief lenen regeling is begrepen.

Bedrijfsopvolgingssregeling (BOR) en doorschuifregeling aanmerkelijk belang (DSR)

Als ondernemingsvermogen (of aandelen in een vennootschap met ondernemingsvermogen) wordt overgedragen door schenking of vererving, kan dat tot heffing van schenk- of erfbelasting en inkomstenbelasting leiden. Om te voorkomen dat de continuïteit van een onderneming hierdoor in gevaar komt, kan er gebruik worden gemaakt van bedrijfsopvolgingsfaciliteiten.

Vanaf 2025 zullen er diverse wijzigingen worden doorgevoerd in de BOR en de DSR:

  1. Verlaging van het BOR-vrijstellingspercentage.
  2. Afschaffing van de dienstbetrekkingseis in de DSR.
  3. Invoering van een minimumleeftijd van 21 jaar voor zowel de BOR als de DSR.
  4. Afschaffing van de 5%-doelmatigheidsmarge.
  5. Striktere kwalificatie van ondernemingsvermogen.

Vanaf 2026 treden de volgende aanpassingen in werking:

  1. Beperking van de BOR en DSR tot gewone aandelen met een minimumaandeel van 5%.
  2. Versoepeling van de bezitseis.
  3. Verkorting van de voortzettingseis.
  4. Aanpak van oneigenlijk gebruik, zoals ‘rollatorinvesteringen’.
  5. Aanpak van dubbel-BOR-constructies.

Deze wijzigingen hebben naar verwachting weinig impact voor degenen investeren in vastgoed. Op basis van jurisprudentie en wetsficties kunnen zij veelal geen gebruik maken van de BOR en de DSR. Bij projectontwikkeling is de kans op toepassing van de BOR en de DSR groter.

Wijzigingen aangekondigd/besloten voorafgaand aan Prinsjesdag

Samenloopvrijstelling aandelentransacties

Bij de aankoop van bouwterreinen en nieuwbouwvastgoed is onder bepaalde voorwaarden een vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing om dubbele heffing met btw te voorkomen. In 2011 heeft de Hoge Raad bepaald dat deze vrijstelling ook geldt bij de aankoop van aandelen in onroerendezaakrechtspersonen met dergelijk vastgoed.

Met ingang van 1 januari 2025 vervalt deze vrijstelling echter voor de aankoop van aandelen in onroerendezaakrechtspersonen die meer dan 10% vrijgestelde btw-prestaties verrichten. Vanaf die datum (met uitzondering van situatie waarbij met succes een beroep is/wordt gedaan op overgangsrecht) geldt bij dergelijke aankopen een verlaagd overdrachtsbelastingtarief van 4% die wordt berekend over de werkelijke waarde van het vastgoed.

Actiepunt: Probeer indien mogelijk een levering van aandelen van vennootschappen met als bezittingen bouwterreinen, nieuwbouw in aanbouw en gerealiseerde nieuwbouw (in dat geval is vrijstelling mede afhankelijk van verstreken periode sinds ingebruikname/start verhuur) nog dit jaar te realiseren indien er (gedeeltelijk) BTW vrijgesteld gebruik wordt verwacht.

Open CV – FGR

Vanaf 1 januari 2025 is de open commanditaire vennootschap (‘Open CV’) niet langer zelfstandig belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Een fonds voor gemene rekening (‘FGR’) is alleen nog belastingplichtig als het een beleggingsfonds of een fonds voor collectieve belegging in effecten betreft, zoals gedefinieerd in de Wet op het financieel toezicht. Bovendien moeten de bewijzen van deelgerechtigdheid verhandelbaar zijn. Als gevolg van het besloten worden van commanditaire vennootschappen en FGR kan er vennootschaps-, dividend- en inkomstenbelasting verschuldigd zijn. Er is echter overgangsrecht dat deze heffingen kan voorkomen, daartoe is echter in het algemeen wel actie in 2024 vereist.

Actiepunt: Neem contact op met uw belastingadviseur om vast te stellen of er in 2024 nog geherstructureerd moet worden om met succes een beroep te kunnen doen op het overgangsrecht.

Fiscale beleggingsinstelling (FBI’s)

Vanaf 1 januari 2025 mogen FBI’s echter niet langer direct investeren in Nederlands vastgoed, volgens de in 2023 aangenomen wet. In de aanbiedingsbrief bij het Belastingplan 2025 is aangekondigd dat er nog aanpassingen volgen om een lek te dichten en om het begrip “vastgoed” te verduidelijken. De exacte wijzigingen zijn momenteel nog niet bekend. Na 1 januari 2025 worden vennootschappen die nu nog het 0%-tarief van een fiscale beleggingsinstelling kunnen toepassen belast tegen de reguliere vennootschapsbelastingtarieven. Om deze consequentie te vermijden is er overgangsrecht geformuleerd die een herstructurering in 2024 vereist.

Actiepunt: Neem contact op met uw belastingadviseur om vast te stellen of er in 2024 nog geherstructureerd moet worden om met succes een beroep te kunnen doen op het overgangsrecht.

Nog te verwachten wijzigingen

Splitsingsvrijstelling

Een belangrijke maatregel voor de praktijk, die niet is opgenomen in het Belastingplan 2025 maar naar verwachting per 1 januari 2025 in werking zal treden, betreft een aanpassing van de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting. Vanaf die datum zullen strengere eisen gaan gelden bij de overdracht van vastgoed via een splitsing van vennootschappen. Voor de zogenoemde “ruziesplitsingen” zal er echter een versoepeling worden doorgevoerd. De definitieve voorwaarden worden naar verwachting in de komende maanden gepubliceerd.

Behoefte aan nader advies?

Aarzel niet en neem contact met ons op!

 

René Maat

ram@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 84

Ton Oostenrijk

ajo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 83

De Cuserstraat 93

1081 CN Amsterdam

 

Postbus 75638

1070 AP Amsterdam

T +31 20 573 03 60

 

info@rechtstaete.nl

www.rechtstaete.nl

 

Luc van Dijk

lvd@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 97

Léon Borkes

lbo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 98

Beer van den Broek

bvb@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 66

Natasha Konings

nko@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 68

Dick van der Pal

dvp@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 39

Matthijs Monteban

mmo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 90

Rick Philips

rph@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 69 

 

 

 

 

Het oranjegevoel

Als je van sport houdt, is het oranjegevoel deze zomer …. lees verder: Het oranjegevoel AJO 07-24 PNL

Markt in geweer tegen renteaftrekbeperking

Per 1 januari 2025 wil het kabinet een verdere beperking doorvoeren van de renteaftrek binnen de vennootschapsbelasting. Lees verder: renteaftrekbeperking