Eindejaarstips 2025 en aandachtspunten 2026

Het einde van het jaar nadert. Hierbij enige fiscale tips voor het einde van dit jaar en aandachtspunten voor het volgende jaar.

 Btw-herziening op kostbare diensten per 1 januari 2026

Vanaf 1 januari 2026 geldt, in beginsel, een herzieningstermijn voor diensten aan onroerende zaken die meer bedragen dan € 30.000 (zoals verbouwingen, renovaties en grote onderhoudswerkzaamheden). Dit betreft diensten die niet leiden tot een nieuwe onroerende zaak in de zin van de btw. De herzieningstermijn bestrijkt het jaar van ingebruikname en de vier daaropvolgende jaren. Volgens de huidige regels mag de btw op verbouwingskosten volledig en definitief worden afgetrokken, op voorwaarde dat een gebouw btw-belast wordt aangewend. Door de nieuwe herzieningsregeling wordt de btw-aftrek over deze (investerings)diensten gedurende vier jaar na ingebruikname beoordeeld op basis van het daadwerkelijke gebruik. Wijzigt het gebruik (bijvoorbeeld van “short stay” woningverhuur naar reguliere, btw-onbelaste verhuur), dan moet een deel van de eerder afgetrokken btw mogelijk worden terugbetaald.

TIP/actiepunt: Neem kostbare diensten, waar mogelijk, nog dit jaar btw-belast in gebruik om te voorkomen dat voor deze diensten een herzieningstermijn gaat lopen.

 Overdrachtsbelastingtarief voor woningen

Vanaf 1 januari 2026 wordt het overdrachtsbelastingtarief voor woningen die niet als hoofdverblijf dienen (verhuurde woningen, maar ook een vakantiewoning) verlaagd van 10,4% naar 8%.

TIP/actiepunt: Stel, waar mogelijk, de verkrijging van woningen die u niet als eigen woning (hoofdverblijf) gaat gebruiken uit tot na 31 december 2025. Houd er wel rekening mee dat wordt geheven over de waarde van de woning op het moment van levering.

 Tijdelijk overgangsrecht fonds voor gemene rekening

Met ingang van 1 januari 2025 is de definitie van het fonds voor gemene rekening (FGR) voor de vennootschapsbelasting aangepast. Hierdoor kunnen samenwerkingsverbanden, zoals een commanditaire vennootschap die belegt in vastgoed, vennootschapsbelastingplichtig worden en verliezen zij hun fiscale transparantie, tenzij vóór eind 2025 een zogenoemde “inkoopvariant” in de fondsvoorwaarden is opgenomen en daartoe reeds in 2024 is besloten. Het kabinet erkent dat deze nieuwe definitie knelpunten oplevert en overweegt op zijn vroegst per 1 januari 2027 een herziening. Daarom is een nadere tijdelijke overgangsmaatregel voorgesteld: fondsen die vanaf 1 januari 2025 als FGR zouden kwalificeren, kunnen ervoor kiezen om tijdelijk als fiscaal transparant te worden aangemerkt. Deze maatregel geldt uiterlijk tot 1 januari 2028, afhankelijk van wanneer een nieuwe definitie van het begrip “fonds voor gemene rekening” wordt ingevoerd.

Door dit nadere overgangsrecht kan in de navolgende situaties de fiscale transparantie van een fonds in stand blijven:

Voor fondsen die per 31 december 2024 bestonden:

  1. Het fonds heeft in 2024 besloten tot invoering van de “inkoopvariant” en heeft deze in 2025 daadwerkelijk geïmplementeerd. Geen verdere actie vereist;
  2. Het fonds heeft in 2024 besloten tot invoering van de “inkoopvariant” en heeft deze in 2025 niet daadwerkelijk geïmplementeerd. Geen verdere actie vereist;
  3. Het fonds bestond reeds in 2024 en heeft in 2024 niet besloten tot invoering van de “inkoopvariant”. Alle participanten moeten voor 28 februari 2026 aangeven dat zij kiezen voor de toepassing van het overgangsrecht, het niet vennootschapsbelastingplichtig worden van het Fonds.

Voor fondsen die vanaf 1 januari 2025 zijn opgezet/bestaan:

  1. Het fonds is pas ontstaan na 2024 en heeft bij het aangaan/oprichting de “inkoopvariant” geïmplementeerd. Geen verdere actie vereist;
  2. Het fonds is pas ontstaan na 2024 en heeft bij het aangaan/oprichting de “inkoopvariant” niet geïmplementeerd. Alle participanten moeten voor 28 februari 2026 aangeven dat zij kiezen voor de toepassing van het overgangsrecht, het niet vennootschapsbelastingplichtig worden van het Fonds.

TIP/actiepunt: Bekijk of er op basis van de hierboven beschreven situaties actie is vereist om de fiscale transparantie van een fonds te behouden (voor uiterlijk 28 februari 2026).

 Box 3: Waarde woningen in verhuurde staat

De Hoge Raad heeft op 3 april 2015 en 23 september 2016 voor box 3 geoordeeld dat, indien de WOZ-waarde van een woning verminderd met onder meer de leegwaarderatio 10% of meer hoger is dan de waarde in het economische verkeer, voor de toepassing van de Wet IB 2001 (box 3) respectievelijk de Successiewet 1956, de waarde in het economische verkeer mag worden gehanteerd. Deze jurisprudentie is onlangs eveneens in de regelgeving opgenomen.

Om een beroep te doen op de regeling moet een belastingplichtige stellen en in geval van gemotiveerde betwisting aannemelijk maken wat de (lagere) waarde in het economische verkeer is. In de praktijk zien we dat een taxatierapport als bewijs kan dienen. In hoeverre een dergelijk taxatierapport ook daadwerkelijk wordt gevolgd, is echter afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Bij verhuur aan een gelieerde partij, tegen een onzakelijke huur- of pachtprijs, kan geen beroep worden gedaan op bovengenoemde waarderingsregeling. Een lagere waardering leidt tot een lager fictief rendement en kan mogelijk eveneens helpen om een eventueel lager werkelijk rendement te onderbouwen.

Bij de keuze om voor woningen de lagere werkelijke waarde in aanmerking te nemen, dient ook rekening te worden gehouden met nieuwe wetgeving die beoogd om vanaf 2028 het werkelijke rendement in box 3 te belasten. Onderdeel van die nieuwe wetgeving is een heffing die de verkoopwinsten op vastgoed belast. Om die verkoopwinst te kunnen bepalen zal er ook een inkoopprijs moeten worden vastgesteld. Die “inkoopprijs” wordt voor niet woningen gesteld op de waarde in het economische verkeer per 1 januari 2028. Voor woningen wordt de “inkoopprijs” gebaseerd op de WOZ waarde per peildatum 1 januari 2028 (dus opgenomen in de WOZ beschikking voor 2029) gecorrigeerd met onder meer de leegwaarderatio. Hier geldt dus (nog) niet dat de “inkoopprijs” voor woningen lager kan worden vastgesteld in verband met een lagere waarde in het economische verkeer. Wellicht komt dat er gedurende de parlementaire behandeling nog in. In dat geval kan het fiscale voordeel dat de lagere waardering had in de jaren tot en met 2027 wel eens een nadeel (hogere boekwinst door lagere “inkoopprijs”) vormen voor de jaren 2028 en later.

TIP/actiepunt: Controleer uw aanslagen inkomsten-, erf- en/of schenkbelasting op gevallen waarin de waarde van een verhuurde woning met huurbescherming, is vastgesteld op de WOZ waarde toepassing van de leegwaarderatio, 10% of meer hoger is dan de waarde in het economische verkeer. Overweeg daarbij of het zinvol is om bezwaar te maken tegen de desbetreffende aanslag inkomsten-, erf- en/of schenkbelasting (mede in verband met de verwachte toekomstige wetgeving). Gezien de toekomstige wetgeving is het wellicht minder verstandig om bezwaar te maken tegen een WOZ-waarde van woningen in box 3 die u te hoog vindt.

 Lucratief belang

Tot 2028 hebben middellijk lucratief belanghouders met een aanmerkelijk belang (5% of meer in een soort aandelen) in de vennootschap die het lucratief belang houdt, de keuze om de voordelen uit lucratief belang tegen het reguliere tarief in box 2 in de heffing te betrekken (in plaats van in box 1), mits ten minste 95% van de lucratief belangvoordelen in dat kalenderjaar worden uitgekeerd aan de belastingplichtige en als inkomen uit aanmerkelijk belang worden belast. Vanaf 2028 wordt de belastingdruk in box 2 over het gedeelte van de lucratief belangvoordelen, die op deze manier worden uitgekeerd, verhoogd middels een multiplier (36/31 x het uitgekeerde voordeel uit lucratief belang), waardoor het effectieve tarief ten hoogste 36% bedraagt.

Het was eerder de bedoeling deze wijziging met ingang van 2026 door te voeren. Tijdens de parlementaire behandeling is echter besloten tot uitstel tot 2028, mede om te onderzoeken of er in de tussenliggende periode niet met een “beter” alternatief kan worden gekomen.

TIP/actiepunt: Laat voordelen uit middellijk lucratief belang, die nog in hetzelfde jaar door uw BV aan u worden uitgekeerd en daarmee in box 2 in de belastingheffing worden betrokken, zoveel als mogelijk in 2025, 2026 en 2027 vallen.

 Terugdraaien wijzigingen heffingsvrij vermogen en forfaitair rendement overige bezittingen box 3 in ruil voor versnelde afbouw Wet Hillen

Eerder werd voorgesteld om per 1 januari 2026 het heffingsvrije vermogen in box 3 te verlagen naar € 51.396 (€ 102.792 voor fiscaal partners) en om het forfaitaire rendementspercentage voor overige bezittingen in box 3 te verhogen naar 7,78% (in 2025 was dit 5,88%). In de parlementaire behandeling is dit voorstel echter gewijzigd, waardoor het heffingsvrije vermogen in 2026 € 59.357 (€ 118.714 voor fiscaal partners) bedraagt en het rendementspercentage voor overige bezittingen wordt gesteld op 6%. De alternatieve dekking voor het terugdraaien wordt gevonden in een versnelde afbouw van de Wet Hillen (“aftrek wegens geen of geringe eigen woningschuld”). Hierdoor is de aftrek volledig uitgefaseerd per 1 januari 2041 (in plaats van 1 januari 2048). Op 1 januari 2026 bedraagt de aftrek overigens nog 71,82% van het verschil tussen de voordelen uit eigen woning en de daarop drukkende aftrekbare kosten.

TIP/actiepunt: Overweeg per jaar of er mogelijk gunstigere manieren zijn om overige bezittingen te houden (bijvoorbeeld in/overhevelen naar box 2). Houd daarnaast rekening met een snellere afbouw van de aftrek wegens geen of een geringe eigenwoningschuld in box 1.

  • Vormen/benutten herinvesteringsreserve

Als uw vennootschap een boekwinst heeft gemaakt op beleggingsvastgoed en u heeft een herinvesteringsvoornemen, dan kunt u deze boekwinst gedurende drie jaar (in sommige situaties is een langere termijn mogelijk) na het jaar van verkoop van het beleggingsvastgoed uitstellen middels het vormen van een herinvesteringsreserve. Van belang daarbij is dat – het bestuur van – uw vennootschap een reëel en bewijsbaar voornemen heeft om tot aan het bedrag van de verkoopopbrengst te herinvesteren in vervangend beleggingsvastgoed.

Na herinvestering binnen de hiervoor genoemde periode mag de herinvesteringsreserve worden afgeboekt op het investeringsbedrag van het vervangende beleggingsvastgoed. Indien de herinvesteringsreserve niet tijdig wordt benut, zal deze in beginsel belast vrijvallen in de (fiscale) winst, voor zover deze niet is aangewend.

TIP/actiepunt: Leg uw herinvesteringsvoornemen in het kader van de herinvesteringsreserve uiterlijk per 31 december schriftelijk vast in een directie-/bestuursbesluit. Zorg tevens voor een tijdige benutting van de herinvesteringsreserve om belaste vrijval te voorkomen.

  • Excessief lenen

De wetgeving tegen excessief lenen belast het totaal van de schulden aan eigen vennootschappen voor zover die schulden (van u en uw fiscale partner met eventuele toerekening van schulden van kinderen voor zover zij zelf meer dan € 500.000 hebben geleend van uw vennootschappen zonder dat zij zelf aandeelhouder zijn) gezamenlijk genomen op
31 december 2025 meer bedragen dan € 500.000. Van een eigen vennootschap is sprake bij een aanmerkelijk belang (box 2 voor de inkomstenbelasting) in een vennootschap. Vorderingen op de eigen vennootschap mogen, om te bepalen of het bedrag van € 500.000 is overschreden, niet worden gesaldeerd met de schulden. Het excessieve deel van de schuld per 31 december wordt belast tegen het box 2-tarief.

TIP/actiepunt: Probeer er zoveel mogelijk voor te zorgen dat vorderingen en schulden op de eigen vennootschap(pen) voor 31 december – daadwerkelijk – met elkaar zijn verrekend (documenteren!). Overleg voor jaareinde met ons (uw belastingadviseur) of er nog verdere mogelijkheden zijn om heffing te vermijden/beperken.

  • Benut zoveel mogelijk de lagere tariefschijf in box 2

Voor 2025 geldt een tarief in box 2 van 24,5% tot een belastbaar inkomen van € 67.804 (bij fiscale partners € 135.608), terwijl over het belastbaar inkomen dat de € 67.804 (bij fiscale partners € 135.608) overschrijdt een tarief van 31% geldt. Voor 2026 gelden dezelfde tarieven en wordt een drempel gehanteerd van € 68.843 (bij fiscale partners € 137.686).

TIP/actiepunt: Indien u voornemens bent om een dividenduitkering te doen en u over 2025 minder inkomen in box 2 heeft dan € 67.804 per fiscaal partner, doe dan nog in 2025 een dividenduitkering om gebruik te maken van het lagere tarief.

  • Box 3: Opgaaf werkelijk rendement

Middels het formulier Opgaaf werkelijk rendement kan het werkelijk rendement over box 3-vermogen worden doorgegeven aan de Belastingdienst. Dit bestaat uit de reguliere voordelen en de vermogensaanwas van bezittingen en schulden. Positieve reguliere voordelen bestaan uit onder andere rente, dividend en huurinkomsten. Negatieve reguliere voordelen bestaan slechts uit rentekosten. De vermogensaanwas van vastgoed bestaat in beginsel uit het verschil tussen de waarde in het economische verkeer aan het begin en aan het einde van het desbetreffende jaar (verminderd met stortingen en vermeerderd met onttrekkingen). De vermogensaanwas bij woningen wordt evenwel in beginsel gebaseerd op de WOZ-waarde. Voor het werkelijk rendement wordt gekeken naar het gehele box 3-vermogen (er bestaat geen keuze per vermogensbestanddeel). Voorts wordt geen rekening gehouden met het heffingsvrije vermogen of inflatie en eventuele verliezen kunnen niet worden verrekend over de jaargrens heen.

TIP/actiepunt: Beoordeel per aangiftejaar of het voor u zinvol is om het formulier Opgaaf werkelijk rendement in te dienen bij de Belastingdienst. Houd er onder meer rekening mee dat niet-gerealiseerde waardestijgingen worden meegenomen, dat kosten (anders dan rente) niet aftrekbaar zijn en dat geen rekening wordt gehouden met het heffingsvrije vermogen.

  • Aanvraag voorlopige aanslagen

Om belastingrente te beperken, adviseren wij om tijdig voorlopige aanslagen aan te vragen voor het jaar 2026. Dit geldt tevens voor voorgaande jaren, indien u verwacht over die jaren nog een bedrag verschuldigd te zijn en de betreffende aangifte nog niet is ingediend. Met betrekking tot de hoogte van de belastingrente lopen op dit moment diverse procedures. Mocht u geconfronteerd worden met belastingrente dan adviseren wij u bezwaar aan te tekenen en/of een verzoek tot herziening in te dienen.

TIP/actiepunt: Door tijdig en proactief te handelen, kunnen potentieel excessieve rentelasten worden voorkomen. Maak bezwaar/vraag om herziening als u desondanks toch geconfronteerd wordt met belastingrente.

Behoefte aan nader advies?

Aarzelt u niet en neem contact met ons op!

René Maat

ram@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 84

Ton Oostenrijk

ajo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 83

De Cuserstraat 93

1081 CN Amsterdam

 

Postbus 75638

1070 AP Amsterdam

T +31 20 573 03 60

 

info@rechtstaete.nl

www.rechtstaete.nl

 

Luc van Dijk

lvd@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 97

Léon Borkes

lbo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 98

Beer van den Broek

bvb@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 66

Natasha Konings

nko@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 68

Dick van der Pal

dvp@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 39

Matthijs Monteban

mmo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 90

Rick Philips

rph@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 69 

Cas Rijkelijkhuizen

cri@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 93

 

 

 

Tussenarrest Hoge Raad: Onzekerheid rond btw en overdrachtsbelasting bij levering verhuurd nieuw vastgoed

De Hoge Raad heeft recent prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) over de toepassing van de zogenoemde ‘faciliteit’ van artikel 37d Wet OB 1968 bij de verkoop van nieuw ontwikkelde, verhuurde onroerende zaken die uitsluitend voor btw-vrijgestelde doeleinden worden gebruikt. Dit tussenarrest zorgt voor extra onzekerheid in de vastgoedpraktijk, met name over de btw- en overdrachtsbelastinggevolgen bij dergelijke transacties.

  1. Achtergrond

In deze zaak transformeerde een projectontwikkelaar een kantoorgebouw tot 77 woonappartementen, die vervolgens kortstondig werden verhuurd. Binnen enkele maanden na oplevering vond de verkoop van het gebouw in verhuurde staat plaats aan een belegger.
De kernvraag: kwalificeert deze overdracht voor de faciliteit van artikel 37d Wet OB 1968, oftewel een ‘overgang van een algemeenheid van goederen’? Dit is relevant omdat bij toepassing van de faciliteit geen btw over de verkoopprijs verschuldigd is.

  1. Prejudiciële vragen aan het HvJ EU

De Hoge Raad heeft het HvJ EU verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:

  • Of de faciliteit van artikel 37d Wet OB 1968 ook geldt voor leveringen van onroerende zaken die uitsluitend voor btw-vrijgestelde activiteiten zijn gebruikt (zoals woningverhuur) en of die levering op grond van de BTW-richtlijn (EU-wetgeving waarop een belastingplichtige eventueel rechtstreeks een beroep kan doen als dit voor hem een gunstigere uitkomst geeft dan de nationale btw-wetgeving) niet al zonder meer vrijgesteld is van btw?
  • Of het voor toepassing van de faciliteit van artikel 37d Wet OB 1968 voldoende is dat het vastgoed wordt verhuurd en in verhuurde staat wordt geleverd, of dat ook de intentie van de verkoper (bijvoorbeeld verhuren met het oog op verkoop) relevant is.

De antwoorden van het HvJ EU zullen richtinggevend zijn voor deze en vergelijkbare zaken, maar een definitieve nationale uitspraak laat naar verwachting nog jaren op zich wachten.

  1. Gevolgen voor de praktijk

Btw en overdrachtsbelasting:

De huidige onduidelijkheid raakt met name projectontwikkelaars en beleggers. Volgens Europese regels is de levering van een goed vrijgesteld van btw als het uitsluitend is gebruikt voor btw-vrijgestelde activiteiten. De Nederlandse wet beperkt deze vrijstelling tot roerende zaken, waardoor de levering van onroerend goed kort na ingebruikname in principe met btw is belast en de verkrijging is vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Mocht blijken dat Nederland de BTW-richtlijn onjuist heeft geïmplementeerd, dan kan de levering van nieuw vastgoed dat uitsluitend voor btw-vrijgestelde doeleinden wordt gebruikt, zonder btw plaatsvinden. De verkrijging door de koper is dan mogelijk belast met overdrachtsbelasting.

Risico’s en aandachtspunten:

  • Het tussenarrest leidt tot (nog) meer fiscale onzekerheid, met name bij leveringen van nieuw vastgoed dat voor btw-vrijgestelde prestaties wordt gebruikt.
  • De samenloopvrijstelling voor overdrachtsbelasting kan mogelijk in gevaar komen als het zo mocht zijn dat Nederland de BTW-richtlijn onjuist zou hebben geïmplementeerd en er door een belanghebbende rechtstreeks een beroep wordt gedaan op de bepalingen uit de BTW-richtlijn.
  • De vastgoedpraktijk doet er verstandig aan om bij voorgenomen transacties de btw- en overdrachtsbelastinggevolgen zorgvuldig in kaart te brengen en rekening te houden met deze onduidelijkheden en de daarbij behorende scenario’s.
  1. Vooruitzicht

De vastgoedpraktijk wacht al jaren op duidelijkheid over de toepassing van artikel 37d Wet OB bij (kortstondig) verhuurde nieuwbouw. Dit tussenarrest biedt helaas geen antwoorden, maar vooral nieuwe vragen.

  1. Advies

Wij adviseren u om bij aan- of verkoop van verhuurd nieuw vastgoed altijd een grondige analyse te maken van de btw- en overdrachtsbelastinggevolgen, en waar nodig tijdig fiscaal advies in te winnen. Wij volgen de ontwikkelingen op de voet en houden u op de hoogte van relevante uitspraken en beleidswijzigingen.

Behoefte aan nader advies?

Aarzelt u niet en neem contact met ons op!

Behoefte aan nader advies?

Aarzel niet en neem contact met ons op!

René Maat

ram@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 84

Ton Oostenrijk

ajo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 83

De Cuserstraat 93

1081 CN Amsterdam

 

Postbus 75638

1070 AP Amsterdam

T +31 20 573 03 60

 

info@rechtstaete.nl

www.rechtstaete.nl

 

Luc van Dijk

lvd@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 97

Léon Borkes

lbo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 98

Beer van den Broek

bvb@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 66

Natasha Konings

nko@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 68

Dick van der Pal

dvp@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 39

Matthijs Monteban

mmo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 90

Rick Philips

rph@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 69 

Cas Rijkelijkhuizen

cri@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 93

 

 

 

Never ending story

Over een paar dagen gaan we naar de stembus: op 29 oktober bepaalt Nederland wie straks mag beslissen over onze portemonnee  …. lees verder: Never ending story

Nieuwsbrief Prinsjesdag 2025

Prinsjesdag 2025

Op Prinsjesdag 2025 zijn het Belastingplan voor 2026 en overige wijzigingen bekend gemaakt. Hieronder treft u een selectie van de voornaamste punten voor de vastgoedpraktijk, aangevuld met wijzigingen waartoe al voorafgaand aan Prinsjesdag is besloten.

Voorgestelde wijzigingen op Prinsjesdag

Verlenging tijdelijk overgangsrecht fondsen voor gemene rekening
Met ingang van 1 januari 2025 is de definitie van het fonds voor gemene rekening (fgr) voor de vennootschapsbelasting gewijzigd, waardoor onder meer ook samenwerkingsverbanden – zoals een commanditaire vennootschap die belegt in vastgoed – vennootschapsbelastingplichtig (niet langer fiscaal transparant) zouden kunnen worden als niet voor eind 2025 de zogenaamde “inkoopvariant” is opgenomen in de fonds(vervreemdings)voorwaarden (bijvoorbeeld in de overeenkomst van commanditaire vennootschap). Het kabinet geeft aan dat deze definitie – op zijn vroegst per 1 januari 2027 – mogelijk weer zal worden gewijzigd, aangezien er een aantal knelpunten kleven aan de nieuwe definitie. Het kabinet stelt in dit kader voor om een overgangsmaatregel in te voeren waarmee de fondsen die vanaf 1 januari 2025 worden aangemerkt als fgr ervoor kunnen kiezen om de fiscaal (transparante) behandeling zoals die gold tot en met 31 december 2024 voort te zetten totdat de mogelijke nieuwe definitie in werking treedt (het uitgangspunt is dat de overgangsmaatregel uiterlijk geldt tot 1 januari 2028).

Voorwaarde voor toepassing van het nieuwe overgangsrecht is dat door het fonds vóór 28 februari 2026 wordt gekozen voor toepassing van het overgangsrecht en dat de participanten uiterlijk op 28 februari 2026 – schriftelijk – instemmen met deze keuze. Het fonds maakt zijn keuze om geen gebruik te maken van het overgangsrecht kenbaar door zich als fgr aan te melden bij de Belastingdienst en dus als fgr/lichaam aangifte vennootschapsbelasting te doen over 2025.

Ook fondsen die niet voldoen aan de vereisten van het eerder geldende/gepubliceerde overgangsrecht (i.e. voornemen de fondsvoorwaarden aan te passen met een zogenoemde inkoopvariant) kunnen kiezen om het voorgestelde overgangsrecht toe te passen. Dit is bijvoorbeeld het geval als zij weliswaar vóór 1 januari 2025 wel hun voornemen kenbaar hebben gemaakt om hun fondsvoorwaarden aan te passen, maar zij de voorwaarden m.b.t. vervreemding (de inkoopvariant) voor hun bewijzen van deelgerechtigdheid niet vóór 1 januari 2026 hebben aangepast. In dergelijke gevallen wordt aangenomen dat de participanten bekend zijn met de fiscale transparantie van het fonds en hoeven zij geen nadere actie te ondernemen om kenbaar te maken dat zij instemmen met de keuze van het fonds. Het overgangsrecht refereert – met name – aan de vennootschapsbelastingplicht, onze verwachting is dat het overgangsrecht ook doorgetrokken kan worden naar bijvoorbeeld de dividendbelasting.

Actiepunt: Als uiterlijk eind 2024 het voornemen tot invoering van de inkoopvariant in kalenderjaar 2025 is vastgelegd maar het fonds deze variant nog niet daadwerkelijk heeft geïmplementeerd en in 2025 niet zal implementeren kan de fiscale transparantie ook zonder deze implementatie in ieder geval voor de jaren 2025 en 2026 (en 2027) worden behouden. Indien eind 2024 niet is besloten tot de opname van een inkoopvariant in de fondsvoorwaarden dan kan voor 2025 en 2026 (en 2027) de fiscale transparantie behouden blijven indien de participanten in het fonds uiterlijk op 28 februari 2026 instemmen met de toepassing van het (voorgestelde) overgangsrecht/het behoudt van de fiscale transparantie.

Wijziging lucratief belangregeling in box 2
Het kabinet beoogt voordelen uit indirect (via een holding) gehouden lucratieve belangen van met name “private equity” managers (maar ook bijvoorbeeld assetmanagers en/of initiatiefnemers die recht hebben op een “extra winstaandeel”) zwaarder te belasten. Onder de huidige wetgeving worden voordelen uit indirect gehouden lucratieve belangen slechts belast in box 2 (aanmerkelijk belangtarief) als deze in hetzelfde belastingjaar voor ten minste 95% worden doorbetaald als dividend naar de aandeelhouder/natuurlijk persoon; deze voordelen worden alsdan niet (ook) in box 1 (progressieve tarief inkomstenbelasting) betrokken als voordeel uit lucratief belang. Het kabinet stelt voor om aan te sluiten bij het tarief in box 3 en vanaf 1 januari 2026 voordelen uit indirect gehouden lucratieve belangen via een grondslag verbredende multiplier te belasten tegen een tarief van effectief maximaal 36% (tot en met 31 december 2025 geldt voor box 2 een tarief van 24,5% over de eerste € 67.804 en 31% over het meerdere). De reden voor de verhoging van het box 2-tarief voor lucratieve belangen is dat deze meer een beloning voor arbeid zouden vormen dan een vergoeding voor inleg van kapitaal. Bij een dergelijke benadering zou het naar onze mening wel zo consequent zijn geweest om in de overwegingen mee te nemen dat een lucratief belang (in tegenstelling tot andere beloningen voor arbeid) doorgaans niet tot aftrekbare kosten leidt bij de partij waarvoor de arbeid wordt verricht.

Actiepunt: Voorkom waar mogelijk dat een lucratief belang ontstaat en probeer voordelen uit lucratief belang nog gedurende 2025 in de heffing te betrekken door voordelen te realiseren en uit te keren voor 1 januari 2026 (er geldt geen eerbiedigende werking voor waarde aangroei in de periode tot de wetswijziging bij realisatie daarna).

Verlaging heffingsvrij vermogen en verhoging forfaitair rendement overige bezittingen box 3
Het kabinet stelt voor om het heffingsvrije vermogen in box 3 per 1 januari 2026 te verlagen naar € 51.396 (in 2025 is dit nog € 57.684). Daarnaast wordt voorgesteld om het forfaitaire rendementspercentage voor overige bezittingen in box 3 te verhogen naar 7,78% (in 2025 is dit nog 5,88%).

Actiepunt: Overweeg nog in 2025 (dus voor de eerstvolgende peildatum 1 januari 2026) of er gunstigere manieren zijn om overige bezittingen te houden (bijvoorbeeld in/overhevelen naar box 2).

Uitsluiten leegwaarderatio bij niet-marktconform handelende gelieerde partijen
Woningen worden in box 3 van de inkomstenbelasting en in de schenk- en erfbelasting in beginsel gewaardeerd op de WOZ-waarde. Indien woningen worden verhuurd of verpacht, wordt de WOZ-waarde onder omstandigheden verlaagd door toepassing van de leegwaarderatio. Het kabinet stelt voor om de leegwaarderatio niet langer van toepassing te laten zijn op woningen die worden verhuurd of verpacht aan een gelieerde partij tegen een niet-marktconforme prijs. Met de wijziging wordt in dergelijke gevallen (mede) bewerkstelligd dat niet langer een beroep kan worden gedaan op jurisprudentie van de Hoge Raad op grond waarvan verhuurde woningen kunnen worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer indien deze waarde 10% lager is dan de WOZ-waarde gecorrigeerd met de leegwaarderatio. Die jurisprudentie wordt voor overige gevallen in de wet opgenomen, zodat op basis van de wet reeds een beroep kan worden gedaan op een waardering in het economische verkeer die 10% of lager dan de WOZ-waarde gecorrigeerd met de leegwaarderatio.

Obligaties met aangegroeide rente in box 3
In de literatuur is opgemerkt dat belastingheffing onder omstandigheden kan worden voorkomen door in het kader van het werkelijk rendement in box 3 (de tegenbewijsregeling) vorderingen/obligaties met aangegroeide rente aan te schaffen, welke rente valt onder de vrijstelling voor zogenoemde kortlopende termijnen en zodoende niet wordt meegenomen in de waardering voor box 3 per 1 januari. Daardoor ontstaat er ten opzichte van het aankoopbedrag een verlies in box 3, waarmee dan naar believen het werkelijke rendement in box 3 kan worden verlaagd. Het kabinet beoogt dit ongewenste gevolg te verhelpen. Met ingang van 1 januari 2026 is met terugwerkende kracht tot 25 augustus 2025, 16:00 uur, slechts nog de aangegroeide rente op banktegoeden/-deposito’s vrijgesteld. Obligaties, vorderingen en vergelijkbare effecten worden in dit kader gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer (dus inclusief aangegroeide rente). Voor bezittingen en schulden die al voor 25 augustus 2025, 16:00 uur, tot het box 3-vermogen zijn gaan behoren, blijven de oorspronkelijke regels van toepassing.

Reeds eerder vastgestelde wijzigingen per 1 januari 2026

Investeringsdiensten in de btw
Vanaf 1 januari 2026 wordt de btw-herzieningsregeling uitgebreid naar investeringsdiensten met betrekking tot onroerende zaken, die bijvoorbeeld zien op renovatie-, vervangings-, onderhouds- en herstelwerkzaamheden. Dit betekent dat de btw op deze diensten gedurende (maximaal) vijf jaar wordt gevolgd, vergelijkbaar met de regeling voor roerende investeringsgoederen. Er geldt een drempelbedrag van € 30.000, waardoor kleinere diensten niet onder deze regeling vallen. Met deze wijziging wordt beoogd om zogenaamde “short stay” verhuur situaties (zie ook hierna) minder aantrekkelijk te maken. Het gaat dan bijvoorbeeld om kantoren die worden verbouwd tot woningen zonder dat die verbouwing leidt tot nieuw vastgoed voor de btw. Op grond van de huidige wetgeving is btw-belaste gemeubileerde “short stay” verhuur gedurende enkel het jaar van ingebruikname voldoende om definitieve btw-aftrek te realiseren. Dat gaat dus vanaf 1 januari 2026 veranderen.

Actiepunt: Probeer verbouwingen tot/van woningen die niet leiden tot nieuwbouw voor de btw die u in eerste instantie “short stay” wenst te verhuren nog in 2025 af te ronden en in 2025, tot jaareinde, btw belast “short stay” te verhuren.

Afschaffing verlaagd btw-tarief voor logies
Vanaf 1 januari 2026 wordt het verlaagde btw-tarief van 9% voor logies afgeschaft en geldt het reguliere tarief van 21%. Dit geldt niet alleen voor hotels en pensions, maar bijvoorbeeld ook bij kortdurende verhuur van gemeubileerde kamers en woningen (“short stay“), volledig ingerichte tenten en mobilhomes, gemeubileerde woningen aan een short-stay-organisatie die de woning doorverhuurt en accommodaties voor bijvoorbeeld asielzoekers of dak- en thuislozen. Voor kamperen blijft het verlaagde btw-tarief van 9% gelden.

Let op: Het btw-tarief op het moment van de prestatie is van toepassing. Als bijvoorbeeld nog dit jaar betalingen worden ontvangen voor overnachtingen die pas in 2026 zullen plaatsvinden, is hierover nu al 21% btw verschuldigd. Ook bij boekingen die worden verplaatst van een datum in 2025 naar een datum na 31 december 2025 is (alsnog) 21% btw verschuldigd. Actiepunt: Breng bij overnachtingen die plaatsvinden na 31 december 2025 21% btw in rekening.

Tarief overdrachtsbelasting voor niet-eigen woningen
Het kabinet streeft naar een uitbreiding van het aanbod aan huurwoningen, zodat meer mensen toegang krijgen tot betaalbare huisvesting. In dit kader wordt het reguliere tarief van de overdrachtsbelasting voor de aankoop van woningen per 1 januari 2026 verlaagd van 10,4% naar 8%. Voor woningen die door de koper voor langere tijd als hoofdverblijf worden gebruikt, blijft het verlaagde tarief van 2% of de startersvrijstelling gelden.

Actiepunt: Stel zo mogelijk verkrijgingen van woningen, niet zijn zijnde de eigen woning, uit tot na 31 december 2025. Aandachtspunt bij een dergelijk uitstel is onder meer dat overdrachtsbelasting verschuldigd is over de waarde van de woningen danwel de hogere tegenprestatie. Bij een waardestijging gedurende het uitstel van de levering kan dus de basis waarover overdrachtsbelasting wordt geheven toenemen.

Voordeel wegens eigen gebruik onroerende zaken box 3
De Hoge Raad heeft beslist dat de Belastingdienst het werkelijke rendement in box 3 moet belasten wanneer dit lager is dan het op basis van de Wet IB 2001 vastgestelde fictieve rendement. De wetgever heeft met de inmiddels in werking getreden Wet tegenbewijsregeling box 3 aangegeven op welke wijze belastingplichtigen hun werkelijke rendement in box 3 kunnen berekenen. Onderdeel van het werkelijke rendement is volgens de Hoge Raad ook het voordeel wegens eigen gebruik van (gedeelten) van onroerende zaken. Dit voordeel is volgens de Hoge Raad echter niet te kwantificeren en wordt daarom (tot en met 31 december 2025) niet belast. Vanaf 1 januari 2026 zullen voordelen uit het voor eigen gebruik ter beschikking staan van (gedeelten van) onroerende zaken echter wel worden meegerekend bij de bepaling van het werkelijke rendement als bedoeld in de Wet tegenbewijsregeling box 3. De waarde van het voor eigen beschikking staan wordt in dit kader (middels een op 1 januari in werking te treden wetsbepaling) gesteld op de economische huurwaarde per jaar, gedeeld door het aantal dagen dat de onroerende zaak de gehele dag voor eigen gebruik ter beschikking staat. Voor de economische huurwaarde kan worden aangesloten bij 5,06% van de WOZ-waarde.

Let op: Niet relevant is of de onroerende zaak daadwerkelijk voor eigen gebruik wordt aangewend. Voldoende is dat de onroerende zaak voor eigen gebruik ter beschikking staat (bijvoorbeeld bij leegstand). Hiervan is geen sprake als de onroerende zaak wordt verhuurd of verpacht, in aanbouw is of onbruikbaar is door een brand of een verbouwing.

Actiepunt: Voorkom zoveel als mogelijk dat box 3-vastgoed na 31 december 2025 voor eigen gebruik ter beschikking staat door leegstand, terwijl overigens het ter beschikking staan niet wordt beperkt (o.g.v. contractuele afspraken). Te betwijfelen valt overigens of belastingheffing op basis van deze regeling een rechterlijke toets zal doorstaan. Overweeg daarom bezwaar aan te tekenen tegen aanslagen waarin het werkelijke rendement (mede) bestaat uit het voor eigen gebruik ter beschikking staan (bij leegstand) van een onroerende zaak.

Behoefte aan nader advies?

Aarzel niet en neem contact met ons op!

René Maat

ram@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 84

Ton Oostenrijk

ajo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 83

De Cuserstraat 93

1081 CN Amsterdam

 

Postbus 75638

1070 AP Amsterdam

T +31 20 573 03 60

 

info@rechtstaete.nl

www.rechtstaete.nl

 

Luc van Dijk

lvd@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 97

Léon Borkes

lbo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 98

Beer van den Broek

bvb@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 66

Natasha Konings

nko@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 68

Dick van der Pal

dvp@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 39

Matthijs Monteban

mmo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 90

Rick Philips

rph@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 69 

 

 

 

 

Een veelkoppig fiscaal monster

Woensdagmorgen in alle vroegte en natuurlijk ruim voordat ….. lees verder: 20250717 Een veelkoppig fiscaal monster column PNL AJO

Anticiperen op box 3 heffing op basis van het werkelijke rendement

De langverwachte overgang naar een box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement lijkt eindelijk vorm te krijgen … lees verder: Anticiperen op box 3

Definitieve aanslag inkomstenbelasting 2021 (of latere jaren) ontvangen? Maak bezwaar!

Binnenkort zult u, als u vermogen in box 3 heeft aangegeven, waarschijnlijk de definitieve aanslag inkomstenbelasting over 2021 ontvangen. Lees verder: RotterdamseVGW 2025

Btw-belaste short stay-verhuur van korte duur?

Btw-belaste short stay-verhuur van korte duur?

Short stay-verhuur – de tijdelijke, gemeubileerde verhuur van woningen aan personen die er kort verblijven – staat de komende jaren onder grote druk door nieuwe fiscale maatregelen. Hieronder een overzicht van de belangrijkste aanstaande ontwikkelingen.

  1. Verhoging btw-tarief short stay-verhuur per 1 januari 2026
  • Het Belastingplan 2025 bepaalt dat vanaf 1 januari 2026 het btw-tarief op verhuur binnen het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf wordt verhoogd van 9% naar 21%.
  • Deze verhoging geldt dus ook voor de short stay-verhuur van woningen. Voor verhuurders betekent de wijziging een hogere belastingdruk op hun short-stay activiteiten.
  1. Strengere herzieningsregels btw op investeringsdiensten per 1 januari 2026
  • Vanaf 1 januari 2026 geldt een herzieningstermijn van vier jaar voor kostbare diensten (zoals verbouwingen, renovaties en grote onderhoudswerkzaamheden) aan vastgoed, mits de kosten per dienst minimaal € 30.000 bedragen.
  • Volgens de huidige regels mag de btw op verbouwingskosten volledig en definitief worden afgetrokken, op voorwaarde dat in het boekjaar van ingebruikname uitsluitend btw-belaste short stay-verhuur plaatsvindt én het pand na de verbouwing niet als ‘nieuw vervaardigd’ wordt beschouwd voor de btw. Vervolgens kan het pand btw-vrij als woning worden verhuurd, zonder dat dit gevolgen heeft voor de eerder toegepaste aftrek.
  • Door de nieuwe herzieningsregeling wordt de btw-aftrek over deze investeringsdiensten gedurende vier jaar na ingebruikname beoordeeld op basis van het daadwerkelijke gebruik. Wijzigt het gebruik (bijvoorbeeld van short stay naar reguliere verhuur), dan moet een deel van de eerder afgetrokken btw mogelijk worden terugbetaald.
  1. Wijziging definitie ‘kort verblijf’ (ViDA-regels) per 1 juli 2028
  • De huidige ‘safe harbour’– waarbij verhuur van gemeubileerde woningen voor maximaal zes maanden onder voorwaarden als short stay (en dus btw-belast) wordt gezien – vervalt naar verwachting per 1 juli 2028. Ervan uitgaande dat deze aanpassing één op één wordt geïmplementeerd in het Vastgoedbesluit.
  • Vanaf die datum vervalt naar verwachting deze beleidslijn vanwege een wijziging in de Europese btw-richtlijn (artikel 135, lid 2) in het kader van ‘VAT in the Digital Age’ (ViDA). Verhuur aan dezelfde persoon voor een periode van maximaal 30 nachten wordt voortaan standaard aangemerkt als hotelmatige verhuur en is daarmee btw-belast. Bij verhuur voor langere perioden ligt de bewijslast bij de verhuurder om aan te tonen dat desondanks sprake is van een kortdurend verblijf.
  • Dit laatste zal lastig zijn, mede gezien de reeds aanwezige kritische houding van de Belastingdienst ten aanzien van short stay-verhuur.
  1. Juridische en beleidsmatige aanscherping
  • Naast fiscale maatregelen die short stay-verhuur steeds onaantrekkelijker maken, neemt ook de civielrechtelijke ruimte voor deze vorm van verhuur steeds verder af en wordt er steeds strenger gehandhaafd.

Conclusie

De combinatie van een hoger btw-tarief, strengere herzieningsregels voor btw op investeringsdiensten en een veel beperktere definitie van ‘kort verblijf’ maakt short stay-verhuur aanzienlijk minder aantrekkelijk voor verhuurders. De verwachting is dat het tijdperk waarin short stay-verhuur als fiscaal aantrekkelijke structuur kan worden ingezet, ten einde gaat lopen.

Behoefte aan nader advies?

Aarzel niet en neem contact met ons op!

René Maat

ram@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 84

Ton Oostenrijk

ajo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 83

De Cuserstraat 93

1081 CN Amsterdam

 

Postbus 75638

1070 AP Amsterdam

T +31 20 573 03 60

 

info@rechtstaete.nl

www.rechtstaete.nl

 

Luc van Dijk

lvd@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 97

Léon Borkes

lbo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 98

Beer van den Broek

bvb@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 66

Natasha Konings

nko@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 68

Dick van der Pal

dvp@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 39

Matthijs Monteban

mmo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 90

Rick Philips

rph@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 69 

 

 

 

 

Tijdig actie nodig tegen excessieve belastingrente

Op dit moment bedraagt de zogenaamde belastingrente voor de vennootschapsbelasting maar liefst 9%. Deze rente wordt berekend…. lees verder: 20250425 Column Tijdig actie nodig Adamse VGW RAM

Belastingrente is dure grap

De rentes waarmee de Belastingdienst rekent zijn aanzienlijk…. lees verder: 20250416 PNL column Belastingrente is dure grap Ton Oostenrijk