Voorkomen van belastingrente bij aanslagen IB/VPB over het (boek)jaar 2025

Door tijdig in actie te komen kan de verschuldigdheid van belastingrente worden voorkomen.

Bij het opleggen van een aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting kan de Belastingdienst belastingrente in rekening brengen. Belastingrente wordt – kort gezegd – in rekening gebracht indien een te betalen belastingbedrag ‘te laat’ wordt vastgesteld. In deze nieuwsbrief gaan wij in op de stappen die genomen kunnen worden om belastingrente over de te betalen inkomsten- en/of vennootschapsbelasting over het (boek)jaar 2025 te voorkomen. Het belang daarvan is groot, omdat de rentetarieven waarmee de Belastingdienst rekent aanzienlijk zijn.

A. Belastingrente vennootschapsbelasting

Belastingrente kan verschuldigd worden over het bedrag aan te betalen belasting vermeld op aanslagen vennootschapsbelasting over het (boek)jaar 2025, die worden opgelegd na 30 juni 2026. Het rentepercentage bedraagt 5% (2026).

De periode waarover belastingrente in rekening kan worden gebracht, loopt van 1 juli 2026 tot uiterlijk 6 weken na de dagtekening van de opgelegde aanslag.[1] Ingeval van een gebroken boekjaar, loopt de periode waarover de rente wordt berekend van de eerste dag van de zevende maand volgende op het einde van het boekjaar tot uiterlijk 6 weken na de dagtekening van de aanslag.

A1.  Voorkomen van te betalen belastingrente vennootschapsbelasting

  1. Belastingrente wordt voorkomen door vóór 1 juni 2026 een aangifte over het (boek)jaar 2025 in te dienen. Als het boekjaar verschilt van het kalenderjaar, moet dit worden gedaan vóórdat 5 maanden na het einde van het gehanteerde boekjaar zijn verstreken. Belastingrente wordt alleen voorkomen als de Belastingdienst niet afwijkt van de ingediende aangifte.Voorbeeld 1[2]
    De aangifte over het (boek)jaar 2025 wordt vóór 1 juni 2026 gedaan. De (voorlopige) aanslag wordt conform de ingediende aangifte opgelegd.Omdat hier aangifte is gedaan vóór 1 juni 2026 en de gegevens uit de aangifte zonder wijzigingen zijn overgenomen, is er geen belastingrente verschuldigd.Voorbeeld 2
    De aangifte over het (boek)jaar 2025 wordt op 23 juni 2026 gedaan. Hierna wordt een (ten opzichte van de aangifte) ongewijzigde aanslag opgelegd met dagtekening 6 augustus 2025.Hier wordt wel belastingrente in rekening gebracht over de periode 1 juli 2026 tot en met 17 september 2026 (6 weken na dagtekening van de aanslag), omdat niet vóór 1 juni 2026 aangifte is gedaan.
  2. Belastingrente kan ook worden voorkomen door vóór 1 mei 2026 een (additionele) voorlopige aanslag over het (boek)jaar 2025 aan te vragen, mits de Belastingdienst de (voorlopige) aanslag niet oplegt tegen een hoger (te betalen) bedrag.Voorbeeld 3
    Op 25 april 2026 wordt om een voorlopige aanslag over het (boek)jaar 2026 of een wijziging van een eerder opgelegde voorlopige aanslag over het (boek)jaar 2026 verzocht, waarna een voorlopige aanslag met dagtekening 1 september 2026 wordt ontvangen.Als de gegevens uit het verzoek om een voorlopige aanslag ongewijzigd zijn overgenomen, wordt geen belastingrente verschuldigd, omdat al vóór 1 mei 2026 een verzoek om een voorlopige aanslag is ingediend.

A2.  Bezwaar maken tegen belastingrente vennootschapsbelasting

Op 16 januari 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan omtrent de cassatieprocedure over het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het verhoogde belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting in strijd is met het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel en daarom niet mag worden toegepast.

Dit betekent dat de voorheen gehanteerde rentepercentages buiten beschouwing moet blijven en dat voor de vennootschapsbelasting moet worden aangesloten bij het rentepercentage dat geldt voor de overige belastingen. Voor 2026 bedraagt deze 5%.

Voor de belastingplichtigen die tegen de opgelegde definitieve aanslagen bezwaar hebben ingediend (en waarbij dit bezwaar is aangewezen onder de massaalbezwaarprocedure) is inmiddels ook collectief uitspraak op bezwaar gewezen door de Belastingdienst. Belastingplichtigen ontvangen binnen 6 maanden na de collectieve uitspraak automatisch een vermindering van de belastingrente, waarbij het regulier rentepercentage wordt toegepast.

Voor belastingplichtigen die nog geen bezwaar hebben gemaakt is het raadzaam om de aanslagen en de rentebeschikking te controleren. Indien een onjuist (te hoog) rentepercentage is gehanteerd, kan nog bezwaar worden gemaakt, mits de aanslag open staat voor bezwaar. Daarbij geldt dat het bezwaar binnen 6 weken na dagtekening van de aanslag moet worden ingediend.

Indien belastingrente in rekening wordt gebracht op een voorlopige aanslag staat de route van bezwaar nog niet open aangezien nog geen sprake is van een formele rentebeschikking. Indien gewenst kunt u de Belastingdienst wel verzoeken om de voorlopige aanslag met betrekking tot de rente te herzien. Dit verzoek kan worden ingediend tot uiterlijk zes weken na dagtekening van de definitieve aanslag vennootschapsbelasting over het betreffende jaar.

B. Belastingrente inkomstenbelasting

Indien aangifte inkomstenbelasting over het (boek)jaar 2025 wordt gedaan op of na 1 mei 2026, kan belastingrente in rekening worden gebracht vanaf 1 juli 2026 tot uiterlijk 6 weken na de dagtekening van de opgelegde aanslag.[3] Het percentage van de belastingrente bedraagt 5% (2026).

Gelet op het (relatief hoge) rentepercentage van 5% voor de inkomstenbelasting, bestond de vraag of ook dit percentage mogelijk onverbindend zou worden verklaard. Uit de Hoge Raad uitspraak is echter gebleken dat dit niet het geval is. De bezwaren tegen de belastingrente voor de inkomstenbelasting zijn ongegrond verklaard en de Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit rentepercentage niet in strijd is met de algemene rechtsbeginselen.

B1.   Voorkomen van te betalen belastingrente inkomstenbelasting

Door vóór 1 mei 2026 aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2025 te doen of vóór die datum te verzoeken om een voorlopige aanslag over het jaar 2025, kan worden voorkomen dat belastingrente verschuldigd wordt, mits de Belastingdienst de uiteindelijke/definitieve aanslag niet tegen een hoger (te betalen) bedrag oplegt.

C. Invorderingsrente

Naast belastingrente kan ook invorderingsrente in rekening worden gebracht als de belasting te laat (normaliter vanaf de eerste dag gelegen 6 weken na dagtekening van de aanslag) wordt betaald. Deze rente loopt door tot de dag waarop de belastingschuld wordt voldaan. Het percentage bedraagt 4,3% (2026).

Let op!!

Controleer ruim vóór 1 mei of er een voorlopige aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting is opgelegd naar het (te verwachten) belastbaar inkomen of de winst van uw B.V. over het (boek)jaar 2025. Indien dit niet het geval is – of indien deze aanslag te laag is vastgesteld – wordt belastingrente voorkomen door vóór 1 mei 2026 een voorlopige aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting aan te (laten) vragen. Van belang daarbij is dat het verwachte inkomen en/of winst reëel wordt ingeschat, maar in ieder geval niet te laag om te betalen rente te voorkomen.

Indien u wenst dat wij u bijstaan bij het aanvragen van een (additionele) voorlopige aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting voor het (boek)jaar 2025, ontvangen wij graag uiterlijk medio april a.s. de relevante cijfers.

Behoefte aan nader advies?

Aarzelt u niet en neem contact met ons op!

René Maat

ram@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 84

Ton Oostenrijk

ajo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 83

De Cuserstraat 93

1081 CN Amsterdam

 

Postbus 75638

1070 AP Amsterdam

T +31 20 573 03 60

 

info@rechtstaete.nl

www.rechtstaete.nl

 

Luc van Dijk

lvd@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 97

Léon Borkes

lbo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 98

Beer van den Broek

bvb@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 66

Natasha Konings

nko@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 68

Dick van der Pal

dvp@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 39

Matthijs Monteban

mmo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 90

Rick Philips

rph@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 69

Muhsin Ercigöz

mer@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 82

Cas Rijkelijkhuizen

cri@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 93

[1] Bij een navorderingsaanslag volgend op een definitieve aanslag, wordt mogelijk ook belastingrente in rekening gebracht. De renteperiode loopt dan van 1 juli 2026 tot 1 maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.
[2] Aangepaste voorbeelden; origineel afkomstig van de website van de Belastingdienst.
[3] Bij een navorderingsaanslag volgend op een definitieve aanslag, wordt mogelijk ook belastingrente in rekening gebracht. De renteperiode loopt dan van 1 juli 2026 tot 1 maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.

Beer van den Broek versterkt RechtStaete

Met ingang van 1 januari 2026 is Beer van den Broek, advocaat-belastingkundige, bij RechtStaete vastgoedadvocaten & belastingadviseurs B.V. tot partner benoemd.

Beer is sinds 2016 in dienst bij RechtStaete na een korte periode werkzaam te zijn geweest bij een Big4 belastingadvieskantoor. In de afgelopen jaren heeft Beer zich gespecialiseerd in de fiscale begeleiding van uiteenlopende vastgoedbeleggingsfondsen. Daarnaast adviseert hij over fiscale aspecten bij (in)directe vastgoedtransacties, herstructureringen en overnames.

Léon Borkes, partner bij RechtStaete, licht toe: “Beer beschikt over een schat aan ervaring in het opzetten van vastgoedfondsen en het begeleiden van transacties. Hij weet zijn expertise praktisch toe te passen en hij adviseert ‘hands-on’. Beer heeft een brede kennis van diverse vastgoedaspecten waardoor hij de taal van de cliënt spreekt. Bovendien is Beer een zeer toegankelijk en aimabel persoon, eigenschappen die uitstekend passen binnen onze kantoorcultuur.”

Beer van den Broek reageert op zijn benoeming: “Ik ben uiteraard erg blij met deze stap. Het voelt als een logische volgende fase, waarin ik mijn kennis en ervaring nog breder kan inzetten voor onze cliënten én ons kantoor. RechtStaete biedt volop ruimte voor groei, ontwikkeling en ondernemerschap. Ik geloof sterk in de kracht van een gespecialiseerd nichekantoor: dichtbij de cliënt, flexibel met diepgaande expertise.”

RechtStaete biedt hoogwaardige juridische en fiscale dienstverlening aan partijen die actief zijn op de commerciële vastgoedmarkt. In 2026 viert het kantoor haar 25-jarig jubileum en geldt als een autoriteit op het gebied van vastgoedvraagstukken. Tot de cliëntenkring behoren onder meer (inter)nationale beleggers, beleggingsfondsen, projectontwikkelaars, aannemers, woningcorporaties, (lokale) overheden, vastgoedbeheerders en vermogende particulieren. RechtStaete staat bekend om haar doelgerichte en praktische aanpak, waarbij hoogwaardige dienstverlening wordt gecombineerd met een laagdrempelig karakter.

 

Fiscale actualiteiten

Consultatiedocument nieuwe definitie fonds voor gemene rekening (FGR) en wijzigingen Besluit onroerende zaken omzetbelasting

In december 2025 is een internetconsultatie gestart over de (nieuwe) definitie van het FGR. In dit kader is een conceptwetsvoorstel gepubliceerd waarin, naast een definitiewijziging, onder meer een afmeldregeling (van het zijn van FGR) wordt voorgesteld. Daarnaast is het Besluit onroerende zaken omzetbelasting op meerdere onderdelen te wijzigen. In deze bijdrage lichten wij beide ontwikkelingen toe.

  1. Voorstel wijzigen definitie FGR

Per 1 januari 2025 is de definitie van het FGR gewijzigd. Als gevolg hiervan kunnen samenwerkingsverbanden die tot dan toe fiscaal transparant waren – zoals commanditaire vennootschappen – hun fiscale transparantie verliezen en zelfstandig belastingplichtig worden voor de vennootschapsbelasting.

Aangekondigd is dat de FGR-definitie mogelijk opnieuw zal worden aangepast, op zijn vroegst per 1 januari 2027. Voor fondsen die op of na 1 januari 2025 op grond van de huidige wetgeving als FGR zouden kwalificeren, geldt tijdelijk overgangsrecht. Onder voorwaarden worden deze fondsen gedurende de overgangsperiode niet als FGR aangemerkt, totdat een nieuwe definitie in werking treedt.

Op 15 december is een internetconsultatie gestart over de mogelijke definitiewijziging van het FGR. In het bijgevoegde wetsvoorstel kunnen zowel fondsen met rechtspersoonlijkheid als fondsen zonder rechtspersoonlijkheid als FGR kwalificeren. Indien een fonds voldoet aan de FGR-definitie, kan het volgens het wetsvoorstel onder voorwaarden verzoeken om niet als FGR te worden aangemerkt (de ‘afmeldregeling’). Alsdan is het fonds niet zelfstandig belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. De afmeldregeling werkt door naar de inkomstenbelasting, dividendbelasting en de bronbelasting.

De voorwaarden voor toepassing van de afmeldregeling zijn:

  1. het fonds heeft ten hoogste 20 participanten (doorlopende toets);
  2. het fonds voldoet bij indiening van het verzoek aan de in het wetsvoorstel opgenomen informatieverplichtingen; en
  3. de afmeldregeling kan per fonds slechts eenmaal worden toegepast. Indien een eerder toegepaste afmeldregeling is geëindigd, kan het fonds niet opnieuw een verzoek indienen.

Voor in Nederland gevestigde fondsen geldt dat het verzoek uiterlijk moet worden ingediend in het jaar waarin het fonds op grond van de wet als FGR zou worden aangemerkt.

Indien het wetsvoorstel in de huidige vorm wordt ingevoerd, bestaan er voor (vastgoed)fondsen in essentie twee mogelijkheden om fiscaal transparant te zijn of te blijven:

  1. structurering als een zogenoemd inkoopfonds, waarbij participaties uitsluitend aan het fonds zelf kunnen worden vervreemd; of
  2. toepassing van de afmeldregeling.

Advies

Wij adviseren fondsen om tijdig rekening te houden met deze voorgestelde wetswijziging (door ontwikkelingen in de gaten te houden) en om waar mogelijk en/of gewenst fondsen zodanig in te richten dat gebruik zou kunnen worden gemaakt van de afmeldregeling.

  1. Besluit onroerende zaken omzetbelasting

Op 17 december 2025 is een wijzigingsbesluit van het Besluit onroerende zaken omzetbelasting gepubliceerd. Onderstaand bespreken wij de belangrijkste wijzigingen.

 

Gebouw

De passage waarin was opgenomen dat een constructie die onderdeel vormt van een nog te bouwen gebouw (zoals een fundering) reeds als gebouw kwalificeert, is vervallen. Dergelijke constructies kwalificeren daardoor niet langer automatisch als gebouw voor btw-doeleinden. Bij onroerende zaken die zich in een vroeg stadium van realisatie bevinden, dient voortaan zelfstandig te worden beoordeeld of reeds sprake is van een gebouw (er kan dus geen vertrouwen meer worden ontleend aan het besluit).

Eerste ingebruikneming

Het standpunt dat reeds sprake is van eerste ingebruikneming zodra feitelijke handelingen worden verricht in een ruimte (bijvoorbeeld door een huurder die de ruimte gereedmaakt voor gebruik) met het oog op duurzaam gebruik overeenkomstig de objectieve bestemming, is geschrapt. Voortaan lijkt aldus minder snel sprake van een eerste ingebruikname bij het verrichten van werkzaamheden om het gehuurde gereed te maken voor het beoogde gebruik.

In wezen nieuwbouw

Het besluit benadrukt dat het arrest Promo 54 (C-239/22) van het Hof van Justitie van de Europese Unie geen wijziging aanbrengt in het bestaande criterium voor ‘in wezen nieuwbouw’: alleen ingrijpende wijzigingen in de bouwkundige constructie van een onroerende zaak – waaronder vervanging van (een deel van) de bestaande constructie – kunnen er (volgens de Hoge Raad) toe leiden dat een verbouwing resulteert in een gebouw dat voor de btw als nieuw moet worden aangemerkt.

Koop-/aannemingsovereenkomsten

In het besluit is verduidelijkt hoe koop-/aannemingsovereenkomsten die leiden tot de levering van een (nieuw) gebouw btw-technisch moeten worden behandeld. Onderstaand bespreken wij een aantal overwegingen uit het besluit.

Indien de levering van de grond en de realisatie van het gebouw plaatsvinden door dezelfde belastingplichtige (waaronder een fiscale eenheid), kunnen deze handelingen gezamenlijk één btw-prestatie vormen. Indien de overdracht van de grond en de daarop gerealiseerde nieuwbouw (al dan niet in combinatie met sloop van bestaande bebouwing) één prestatie vormen, kwalificeert deze prestatie als de levering van een nieuw gebouw. De prestatie wordt geacht plaats te vinden op het moment van oplevering van het nieuwe gebouw.

De overdracht van de grond kan ook plaatsvinden via de vestiging of overdracht van een erfpachtrecht. Ook in dat geval is sprake van één prestatie: de levering van een nieuw gebouw bij oplevering. De btw-belaste vergoeding omvat zowel de totale aanneemsom als de totale vergoeding voor het erfpachtrecht.

(Gedeeltelijke) sloop van een gebouw

Volledige sloop van een gebouw resulteert in onbebouwde grond. Ook bij gedeeltelijke sloop is sprake van onbebouwde grond indien het resterende deel geen functie van gebouw meer kan vervullen. Dit geldt ook voor percelen waar zich uitsluitend nog oude heipalen bevinden, ongeacht of deze palen een functie vervullen voor een toekomstige nieuwbouw, aldus het besluit.

Verhuur van congres-, vergader- of tentoonstellingsruimte

Het besluit bevat een goedkeuring op grond waarvan congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte btw-belast kan worden verhuurd zonder dat hoeft te worden geopteerd. Middels het wijzigingsbesluit is nu opgenomen dat de verhuurder de betreffende ruimte daarnaast ook voor andere doeleinden mag gebruiken. Dit doet geen afbreuk aan de toepassing van de goedkeuring, mits de betreffende huurders de ruimte uitsluitend gebruiken als congres-, vergader- of tentoonstellingsruimte.

Advies

Het Besluit onroerende zaken omzetbelasting biedt veel duidelijkheid, maar geeft daarbij wel de visie van het Ministerie van Financiën weer. Neem daarom bij onder meer aan- en verkopen, aan- en verhuur, project- en herontwikkeling altijd vooraf contact met ons op.

René Maat

ram@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 84

Ton Oostenrijk

ajo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 83

De Cuserstraat 93

1081 CN Amsterdam

 

Postbus 75638

1070 AP Amsterdam

T +31 20 573 03 60

 

info@rechtstaete.nl

www.rechtstaete.nl

 

Luc van Dijk

lvd@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 97

Léon Borkes

lbo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 98

Beer van den Broek

bvb@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 66

Natasha Konings

nko@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 68

Dick van der Pal

dvp@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 39

Matthijs Monteban

mmo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 90

Rick Philips

rph@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 69 

Cas Rijkelijkhuizen

cri@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 93

 

 

 

Eindejaarstips 2025 en aandachtspunten 2026

Het einde van het jaar nadert. Hierbij enige fiscale tips voor het einde van dit jaar en aandachtspunten voor het volgende jaar.

 Btw-herziening op kostbare diensten per 1 januari 2026

Vanaf 1 januari 2026 geldt, in beginsel, een herzieningstermijn voor diensten aan onroerende zaken die meer bedragen dan € 30.000 (zoals verbouwingen, renovaties en grote onderhoudswerkzaamheden). Dit betreft diensten die niet leiden tot een nieuwe onroerende zaak in de zin van de btw. De herzieningstermijn bestrijkt het jaar van ingebruikname en de vier daaropvolgende jaren. Volgens de huidige regels mag de btw op verbouwingskosten volledig en definitief worden afgetrokken, op voorwaarde dat een gebouw btw-belast wordt aangewend. Door de nieuwe herzieningsregeling wordt de btw-aftrek over deze (investerings)diensten gedurende vier jaar na ingebruikname beoordeeld op basis van het daadwerkelijke gebruik. Wijzigt het gebruik (bijvoorbeeld van “short stay” woningverhuur naar reguliere, btw-onbelaste verhuur), dan moet een deel van de eerder afgetrokken btw mogelijk worden terugbetaald.

TIP/actiepunt: Neem kostbare diensten, waar mogelijk, nog dit jaar btw-belast in gebruik om te voorkomen dat voor deze diensten een herzieningstermijn gaat lopen.

 Overdrachtsbelastingtarief voor woningen

Vanaf 1 januari 2026 wordt het overdrachtsbelastingtarief voor woningen die niet als hoofdverblijf dienen (verhuurde woningen, maar ook een vakantiewoning) verlaagd van 10,4% naar 8%.

TIP/actiepunt: Stel, waar mogelijk, de verkrijging van woningen die u niet als eigen woning (hoofdverblijf) gaat gebruiken uit tot na 31 december 2025. Houd er wel rekening mee dat wordt geheven over de waarde van de woning op het moment van levering.

 Tijdelijk overgangsrecht fonds voor gemene rekening

Met ingang van 1 januari 2025 is de definitie van het fonds voor gemene rekening (FGR) voor de vennootschapsbelasting aangepast. Hierdoor kunnen samenwerkingsverbanden, zoals een commanditaire vennootschap die belegt in vastgoed, vennootschapsbelastingplichtig worden en verliezen zij hun fiscale transparantie, tenzij vóór eind 2025 een zogenoemde “inkoopvariant” in de fondsvoorwaarden is opgenomen en daartoe reeds in 2024 is besloten. Het kabinet erkent dat deze nieuwe definitie knelpunten oplevert en overweegt op zijn vroegst per 1 januari 2027 een herziening. Daarom is een nadere tijdelijke overgangsmaatregel voorgesteld: fondsen die vanaf 1 januari 2025 als FGR zouden kwalificeren, kunnen ervoor kiezen om tijdelijk als fiscaal transparant te worden aangemerkt. Deze maatregel geldt uiterlijk tot 1 januari 2028, afhankelijk van wanneer een nieuwe definitie van het begrip “fonds voor gemene rekening” wordt ingevoerd.

Door dit nadere overgangsrecht kan in de navolgende situaties de fiscale transparantie van een fonds in stand blijven:

Voor fondsen die per 31 december 2024 bestonden:

  1. Het fonds heeft in 2024 besloten tot invoering van de “inkoopvariant” en heeft deze in 2025 daadwerkelijk geïmplementeerd. Geen verdere actie vereist;
  2. Het fonds heeft in 2024 besloten tot invoering van de “inkoopvariant” en heeft deze in 2025 niet daadwerkelijk geïmplementeerd. Geen verdere actie vereist;
  3. Het fonds bestond reeds in 2024 en heeft in 2024 niet besloten tot invoering van de “inkoopvariant”. Alle participanten moeten voor 28 februari 2026 aangeven dat zij kiezen voor de toepassing van het overgangsrecht, het niet vennootschapsbelastingplichtig worden van het Fonds.

Voor fondsen die vanaf 1 januari 2025 zijn opgezet/bestaan:

  1. Het fonds is pas ontstaan na 2024 en heeft bij het aangaan/oprichting de “inkoopvariant” geïmplementeerd. Geen verdere actie vereist;
  2. Het fonds is pas ontstaan na 2024 en heeft bij het aangaan/oprichting de “inkoopvariant” niet geïmplementeerd. Alle participanten moeten voor 28 februari 2026 aangeven dat zij kiezen voor de toepassing van het overgangsrecht, het niet vennootschapsbelastingplichtig worden van het Fonds.

TIP/actiepunt: Bekijk of er op basis van de hierboven beschreven situaties actie is vereist om de fiscale transparantie van een fonds te behouden (voor uiterlijk 28 februari 2026).

 Box 3: Waarde woningen in verhuurde staat

De Hoge Raad heeft op 3 april 2015 en 23 september 2016 voor box 3 geoordeeld dat, indien de WOZ-waarde van een woning verminderd met onder meer de leegwaarderatio 10% of meer hoger is dan de waarde in het economische verkeer, voor de toepassing van de Wet IB 2001 (box 3) respectievelijk de Successiewet 1956, de waarde in het economische verkeer mag worden gehanteerd. Deze jurisprudentie is onlangs eveneens in de regelgeving opgenomen.

Om een beroep te doen op de regeling moet een belastingplichtige stellen en in geval van gemotiveerde betwisting aannemelijk maken wat de (lagere) waarde in het economische verkeer is. In de praktijk zien we dat een taxatierapport als bewijs kan dienen. In hoeverre een dergelijk taxatierapport ook daadwerkelijk wordt gevolgd, is echter afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Bij verhuur aan een gelieerde partij, tegen een onzakelijke huur- of pachtprijs, kan geen beroep worden gedaan op bovengenoemde waarderingsregeling. Een lagere waardering leidt tot een lager fictief rendement en kan mogelijk eveneens helpen om een eventueel lager werkelijk rendement te onderbouwen.

Bij de keuze om voor woningen de lagere werkelijke waarde in aanmerking te nemen, dient ook rekening te worden gehouden met nieuwe wetgeving die beoogd om vanaf 2028 het werkelijke rendement in box 3 te belasten. Onderdeel van die nieuwe wetgeving is een heffing die de verkoopwinsten op vastgoed belast. Om die verkoopwinst te kunnen bepalen zal er ook een inkoopprijs moeten worden vastgesteld. Die “inkoopprijs” wordt voor niet woningen gesteld op de waarde in het economische verkeer per 1 januari 2028. Voor woningen wordt de “inkoopprijs” gebaseerd op de WOZ waarde per peildatum 1 januari 2028 (dus opgenomen in de WOZ beschikking voor 2029) gecorrigeerd met onder meer de leegwaarderatio. Hier geldt dus (nog) niet dat de “inkoopprijs” voor woningen lager kan worden vastgesteld in verband met een lagere waarde in het economische verkeer. Wellicht komt dat er gedurende de parlementaire behandeling nog in. In dat geval kan het fiscale voordeel dat de lagere waardering had in de jaren tot en met 2027 wel eens een nadeel (hogere boekwinst door lagere “inkoopprijs”) vormen voor de jaren 2028 en later.

TIP/actiepunt: Controleer uw aanslagen inkomsten-, erf- en/of schenkbelasting op gevallen waarin de waarde van een verhuurde woning met huurbescherming, is vastgesteld op de WOZ waarde toepassing van de leegwaarderatio, 10% of meer hoger is dan de waarde in het economische verkeer. Overweeg daarbij of het zinvol is om bezwaar te maken tegen de desbetreffende aanslag inkomsten-, erf- en/of schenkbelasting (mede in verband met de verwachte toekomstige wetgeving). Gezien de toekomstige wetgeving is het wellicht minder verstandig om bezwaar te maken tegen een WOZ-waarde van woningen in box 3 die u te hoog vindt.

 Lucratief belang

Tot 2028 hebben middellijk lucratief belanghouders met een aanmerkelijk belang (5% of meer in een soort aandelen) in de vennootschap die het lucratief belang houdt, de keuze om de voordelen uit lucratief belang tegen het reguliere tarief in box 2 in de heffing te betrekken (in plaats van in box 1), mits ten minste 95% van de lucratief belangvoordelen in dat kalenderjaar worden uitgekeerd aan de belastingplichtige en als inkomen uit aanmerkelijk belang worden belast. Vanaf 2028 wordt de belastingdruk in box 2 over het gedeelte van de lucratief belangvoordelen, die op deze manier worden uitgekeerd, verhoogd middels een multiplier (36/31 x het uitgekeerde voordeel uit lucratief belang), waardoor het effectieve tarief ten hoogste 36% bedraagt.

Het was eerder de bedoeling deze wijziging met ingang van 2026 door te voeren. Tijdens de parlementaire behandeling is echter besloten tot uitstel tot 2028, mede om te onderzoeken of er in de tussenliggende periode niet met een “beter” alternatief kan worden gekomen.

TIP/actiepunt: Laat voordelen uit middellijk lucratief belang, die nog in hetzelfde jaar door uw BV aan u worden uitgekeerd en daarmee in box 2 in de belastingheffing worden betrokken, zoveel als mogelijk in 2025, 2026 en 2027 vallen.

 Terugdraaien wijzigingen heffingsvrij vermogen en forfaitair rendement overige bezittingen box 3 in ruil voor versnelde afbouw Wet Hillen

Eerder werd voorgesteld om per 1 januari 2026 het heffingsvrije vermogen in box 3 te verlagen naar € 51.396 (€ 102.792 voor fiscaal partners) en om het forfaitaire rendementspercentage voor overige bezittingen in box 3 te verhogen naar 7,78% (in 2025 was dit 5,88%). In de parlementaire behandeling is dit voorstel echter gewijzigd, waardoor het heffingsvrije vermogen in 2026 € 59.357 (€ 118.714 voor fiscaal partners) bedraagt en het rendementspercentage voor overige bezittingen wordt gesteld op 6%. De alternatieve dekking voor het terugdraaien wordt gevonden in een versnelde afbouw van de Wet Hillen (“aftrek wegens geen of geringe eigen woningschuld”). Hierdoor is de aftrek volledig uitgefaseerd per 1 januari 2041 (in plaats van 1 januari 2048). Op 1 januari 2026 bedraagt de aftrek overigens nog 71,82% van het verschil tussen de voordelen uit eigen woning en de daarop drukkende aftrekbare kosten.

TIP/actiepunt: Overweeg per jaar of er mogelijk gunstigere manieren zijn om overige bezittingen te houden (bijvoorbeeld in/overhevelen naar box 2). Houd daarnaast rekening met een snellere afbouw van de aftrek wegens geen of een geringe eigenwoningschuld in box 1.

  • Vormen/benutten herinvesteringsreserve

Als uw vennootschap een boekwinst heeft gemaakt op beleggingsvastgoed en u heeft een herinvesteringsvoornemen, dan kunt u deze boekwinst gedurende drie jaar (in sommige situaties is een langere termijn mogelijk) na het jaar van verkoop van het beleggingsvastgoed uitstellen middels het vormen van een herinvesteringsreserve. Van belang daarbij is dat – het bestuur van – uw vennootschap een reëel en bewijsbaar voornemen heeft om tot aan het bedrag van de verkoopopbrengst te herinvesteren in vervangend beleggingsvastgoed.

Na herinvestering binnen de hiervoor genoemde periode mag de herinvesteringsreserve worden afgeboekt op het investeringsbedrag van het vervangende beleggingsvastgoed. Indien de herinvesteringsreserve niet tijdig wordt benut, zal deze in beginsel belast vrijvallen in de (fiscale) winst, voor zover deze niet is aangewend.

TIP/actiepunt: Leg uw herinvesteringsvoornemen in het kader van de herinvesteringsreserve uiterlijk per 31 december schriftelijk vast in een directie-/bestuursbesluit. Zorg tevens voor een tijdige benutting van de herinvesteringsreserve om belaste vrijval te voorkomen.

  • Excessief lenen

De wetgeving tegen excessief lenen belast het totaal van de schulden aan eigen vennootschappen voor zover die schulden (van u en uw fiscale partner met eventuele toerekening van schulden van kinderen voor zover zij zelf meer dan € 500.000 hebben geleend van uw vennootschappen zonder dat zij zelf aandeelhouder zijn) gezamenlijk genomen op
31 december 2025 meer bedragen dan € 500.000. Van een eigen vennootschap is sprake bij een aanmerkelijk belang (box 2 voor de inkomstenbelasting) in een vennootschap. Vorderingen op de eigen vennootschap mogen, om te bepalen of het bedrag van € 500.000 is overschreden, niet worden gesaldeerd met de schulden. Het excessieve deel van de schuld per 31 december wordt belast tegen het box 2-tarief.

TIP/actiepunt: Probeer er zoveel mogelijk voor te zorgen dat vorderingen en schulden op de eigen vennootschap(pen) voor 31 december – daadwerkelijk – met elkaar zijn verrekend (documenteren!). Overleg voor jaareinde met ons (uw belastingadviseur) of er nog verdere mogelijkheden zijn om heffing te vermijden/beperken.

  • Benut zoveel mogelijk de lagere tariefschijf in box 2

Voor 2025 geldt een tarief in box 2 van 24,5% tot een belastbaar inkomen van € 67.804 (bij fiscale partners € 135.608), terwijl over het belastbaar inkomen dat de € 67.804 (bij fiscale partners € 135.608) overschrijdt een tarief van 31% geldt. Voor 2026 gelden dezelfde tarieven en wordt een drempel gehanteerd van € 68.843 (bij fiscale partners € 137.686).

TIP/actiepunt: Indien u voornemens bent om een dividenduitkering te doen en u over 2025 minder inkomen in box 2 heeft dan € 67.804 per fiscaal partner, doe dan nog in 2025 een dividenduitkering om gebruik te maken van het lagere tarief.

  • Box 3: Opgaaf werkelijk rendement

Middels het formulier Opgaaf werkelijk rendement kan het werkelijk rendement over box 3-vermogen worden doorgegeven aan de Belastingdienst. Dit bestaat uit de reguliere voordelen en de vermogensaanwas van bezittingen en schulden. Positieve reguliere voordelen bestaan uit onder andere rente, dividend en huurinkomsten. Negatieve reguliere voordelen bestaan slechts uit rentekosten. De vermogensaanwas van vastgoed bestaat in beginsel uit het verschil tussen de waarde in het economische verkeer aan het begin en aan het einde van het desbetreffende jaar (verminderd met stortingen en vermeerderd met onttrekkingen). De vermogensaanwas bij woningen wordt evenwel in beginsel gebaseerd op de WOZ-waarde. Voor het werkelijk rendement wordt gekeken naar het gehele box 3-vermogen (er bestaat geen keuze per vermogensbestanddeel). Voorts wordt geen rekening gehouden met het heffingsvrije vermogen of inflatie en eventuele verliezen kunnen niet worden verrekend over de jaargrens heen.

TIP/actiepunt: Beoordeel per aangiftejaar of het voor u zinvol is om het formulier Opgaaf werkelijk rendement in te dienen bij de Belastingdienst. Houd er onder meer rekening mee dat niet-gerealiseerde waardestijgingen worden meegenomen, dat kosten (anders dan rente) niet aftrekbaar zijn en dat geen rekening wordt gehouden met het heffingsvrije vermogen.

  • Aanvraag voorlopige aanslagen

Om belastingrente te beperken, adviseren wij om tijdig voorlopige aanslagen aan te vragen voor het jaar 2026. Dit geldt tevens voor voorgaande jaren, indien u verwacht over die jaren nog een bedrag verschuldigd te zijn en de betreffende aangifte nog niet is ingediend. Met betrekking tot de hoogte van de belastingrente lopen op dit moment diverse procedures. Mocht u geconfronteerd worden met belastingrente dan adviseren wij u bezwaar aan te tekenen en/of een verzoek tot herziening in te dienen.

TIP/actiepunt: Door tijdig en proactief te handelen, kunnen potentieel excessieve rentelasten worden voorkomen. Maak bezwaar/vraag om herziening als u desondanks toch geconfronteerd wordt met belastingrente.

Behoefte aan nader advies?

Aarzelt u niet en neem contact met ons op!

René Maat

ram@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 84

Ton Oostenrijk

ajo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 83

De Cuserstraat 93

1081 CN Amsterdam

 

Postbus 75638

1070 AP Amsterdam

T +31 20 573 03 60

 

info@rechtstaete.nl

www.rechtstaete.nl

 

Luc van Dijk

lvd@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 97

Léon Borkes

lbo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 98

Beer van den Broek

bvb@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 66

Natasha Konings

nko@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 68

Dick van der Pal

dvp@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 39

Matthijs Monteban

mmo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 90

Rick Philips

rph@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 69 

Cas Rijkelijkhuizen

cri@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 93

 

 

 

Tussenarrest Hoge Raad: Onzekerheid rond btw en overdrachtsbelasting bij levering verhuurd nieuw vastgoed

De Hoge Raad heeft recent prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) over de toepassing van de zogenoemde ‘faciliteit’ van artikel 37d Wet OB 1968 bij de verkoop van nieuw ontwikkelde, verhuurde onroerende zaken die uitsluitend voor btw-vrijgestelde doeleinden worden gebruikt. Dit tussenarrest zorgt voor extra onzekerheid in de vastgoedpraktijk, met name over de btw- en overdrachtsbelastinggevolgen bij dergelijke transacties.

  1. Achtergrond

In deze zaak transformeerde een projectontwikkelaar een kantoorgebouw tot 77 woonappartementen, die vervolgens kortstondig werden verhuurd. Binnen enkele maanden na oplevering vond de verkoop van het gebouw in verhuurde staat plaats aan een belegger.
De kernvraag: kwalificeert deze overdracht voor de faciliteit van artikel 37d Wet OB 1968, oftewel een ‘overgang van een algemeenheid van goederen’? Dit is relevant omdat bij toepassing van de faciliteit geen btw over de verkoopprijs verschuldigd is.

  1. Prejudiciële vragen aan het HvJ EU

De Hoge Raad heeft het HvJ EU verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:

  • Of de faciliteit van artikel 37d Wet OB 1968 ook geldt voor leveringen van onroerende zaken die uitsluitend voor btw-vrijgestelde activiteiten zijn gebruikt (zoals woningverhuur) en of die levering op grond van de BTW-richtlijn (EU-wetgeving waarop een belastingplichtige eventueel rechtstreeks een beroep kan doen als dit voor hem een gunstigere uitkomst geeft dan de nationale btw-wetgeving) niet al zonder meer vrijgesteld is van btw?
  • Of het voor toepassing van de faciliteit van artikel 37d Wet OB 1968 voldoende is dat het vastgoed wordt verhuurd en in verhuurde staat wordt geleverd, of dat ook de intentie van de verkoper (bijvoorbeeld verhuren met het oog op verkoop) relevant is.

De antwoorden van het HvJ EU zullen richtinggevend zijn voor deze en vergelijkbare zaken, maar een definitieve nationale uitspraak laat naar verwachting nog jaren op zich wachten.

  1. Gevolgen voor de praktijk

Btw en overdrachtsbelasting:

De huidige onduidelijkheid raakt met name projectontwikkelaars en beleggers. Volgens Europese regels is de levering van een goed vrijgesteld van btw als het uitsluitend is gebruikt voor btw-vrijgestelde activiteiten. De Nederlandse wet beperkt deze vrijstelling tot roerende zaken, waardoor de levering van onroerend goed kort na ingebruikname in principe met btw is belast en de verkrijging is vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Mocht blijken dat Nederland de BTW-richtlijn onjuist heeft geïmplementeerd, dan kan de levering van nieuw vastgoed dat uitsluitend voor btw-vrijgestelde doeleinden wordt gebruikt, zonder btw plaatsvinden. De verkrijging door de koper is dan mogelijk belast met overdrachtsbelasting.

Risico’s en aandachtspunten:

  • Het tussenarrest leidt tot (nog) meer fiscale onzekerheid, met name bij leveringen van nieuw vastgoed dat voor btw-vrijgestelde prestaties wordt gebruikt.
  • De samenloopvrijstelling voor overdrachtsbelasting kan mogelijk in gevaar komen als het zo mocht zijn dat Nederland de BTW-richtlijn onjuist zou hebben geïmplementeerd en er door een belanghebbende rechtstreeks een beroep wordt gedaan op de bepalingen uit de BTW-richtlijn.
  • De vastgoedpraktijk doet er verstandig aan om bij voorgenomen transacties de btw- en overdrachtsbelastinggevolgen zorgvuldig in kaart te brengen en rekening te houden met deze onduidelijkheden en de daarbij behorende scenario’s.
  1. Vooruitzicht

De vastgoedpraktijk wacht al jaren op duidelijkheid over de toepassing van artikel 37d Wet OB bij (kortstondig) verhuurde nieuwbouw. Dit tussenarrest biedt helaas geen antwoorden, maar vooral nieuwe vragen.

  1. Advies

Wij adviseren u om bij aan- of verkoop van verhuurd nieuw vastgoed altijd een grondige analyse te maken van de btw- en overdrachtsbelastinggevolgen, en waar nodig tijdig fiscaal advies in te winnen. Wij volgen de ontwikkelingen op de voet en houden u op de hoogte van relevante uitspraken en beleidswijzigingen.

Behoefte aan nader advies?

Aarzelt u niet en neem contact met ons op!

Behoefte aan nader advies?

Aarzel niet en neem contact met ons op!

René Maat

ram@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 84

Ton Oostenrijk

ajo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 83

De Cuserstraat 93

1081 CN Amsterdam

 

Postbus 75638

1070 AP Amsterdam

T +31 20 573 03 60

 

info@rechtstaete.nl

www.rechtstaete.nl

 

Luc van Dijk

lvd@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 97

Léon Borkes

lbo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 98

Beer van den Broek

bvb@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 66

Natasha Konings

nko@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 68

Dick van der Pal

dvp@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 39

Matthijs Monteban

mmo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 90

Rick Philips

rph@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 69 

Cas Rijkelijkhuizen

cri@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 93

 

 

 

Nieuwsbrief Prinsjesdag 2025

Prinsjesdag 2025

Op Prinsjesdag 2025 zijn het Belastingplan voor 2026 en overige wijzigingen bekend gemaakt. Hieronder treft u een selectie van de voornaamste punten voor de vastgoedpraktijk, aangevuld met wijzigingen waartoe al voorafgaand aan Prinsjesdag is besloten.

Voorgestelde wijzigingen op Prinsjesdag

Verlenging tijdelijk overgangsrecht fondsen voor gemene rekening
Met ingang van 1 januari 2025 is de definitie van het fonds voor gemene rekening (fgr) voor de vennootschapsbelasting gewijzigd, waardoor onder meer ook samenwerkingsverbanden – zoals een commanditaire vennootschap die belegt in vastgoed – vennootschapsbelastingplichtig (niet langer fiscaal transparant) zouden kunnen worden als niet voor eind 2025 de zogenaamde “inkoopvariant” is opgenomen in de fonds(vervreemdings)voorwaarden (bijvoorbeeld in de overeenkomst van commanditaire vennootschap). Het kabinet geeft aan dat deze definitie – op zijn vroegst per 1 januari 2027 – mogelijk weer zal worden gewijzigd, aangezien er een aantal knelpunten kleven aan de nieuwe definitie. Het kabinet stelt in dit kader voor om een overgangsmaatregel in te voeren waarmee de fondsen die vanaf 1 januari 2025 worden aangemerkt als fgr ervoor kunnen kiezen om de fiscaal (transparante) behandeling zoals die gold tot en met 31 december 2024 voort te zetten totdat de mogelijke nieuwe definitie in werking treedt (het uitgangspunt is dat de overgangsmaatregel uiterlijk geldt tot 1 januari 2028).

Voorwaarde voor toepassing van het nieuwe overgangsrecht is dat door het fonds vóór 28 februari 2026 wordt gekozen voor toepassing van het overgangsrecht en dat de participanten uiterlijk op 28 februari 2026 – schriftelijk – instemmen met deze keuze. Het fonds maakt zijn keuze om geen gebruik te maken van het overgangsrecht kenbaar door zich als fgr aan te melden bij de Belastingdienst en dus als fgr/lichaam aangifte vennootschapsbelasting te doen over 2025.

Ook fondsen die niet voldoen aan de vereisten van het eerder geldende/gepubliceerde overgangsrecht (i.e. voornemen de fondsvoorwaarden aan te passen met een zogenoemde inkoopvariant) kunnen kiezen om het voorgestelde overgangsrecht toe te passen. Dit is bijvoorbeeld het geval als zij weliswaar vóór 1 januari 2025 wel hun voornemen kenbaar hebben gemaakt om hun fondsvoorwaarden aan te passen, maar zij de voorwaarden m.b.t. vervreemding (de inkoopvariant) voor hun bewijzen van deelgerechtigdheid niet vóór 1 januari 2026 hebben aangepast. In dergelijke gevallen wordt aangenomen dat de participanten bekend zijn met de fiscale transparantie van het fonds en hoeven zij geen nadere actie te ondernemen om kenbaar te maken dat zij instemmen met de keuze van het fonds. Het overgangsrecht refereert – met name – aan de vennootschapsbelastingplicht, onze verwachting is dat het overgangsrecht ook doorgetrokken kan worden naar bijvoorbeeld de dividendbelasting.

Actiepunt: Als uiterlijk eind 2024 het voornemen tot invoering van de inkoopvariant in kalenderjaar 2025 is vastgelegd maar het fonds deze variant nog niet daadwerkelijk heeft geïmplementeerd en in 2025 niet zal implementeren kan de fiscale transparantie ook zonder deze implementatie in ieder geval voor de jaren 2025 en 2026 (en 2027) worden behouden. Indien eind 2024 niet is besloten tot de opname van een inkoopvariant in de fondsvoorwaarden dan kan voor 2025 en 2026 (en 2027) de fiscale transparantie behouden blijven indien de participanten in het fonds uiterlijk op 28 februari 2026 instemmen met de toepassing van het (voorgestelde) overgangsrecht/het behoudt van de fiscale transparantie.

Wijziging lucratief belangregeling in box 2
Het kabinet beoogt voordelen uit indirect (via een holding) gehouden lucratieve belangen van met name “private equity” managers (maar ook bijvoorbeeld assetmanagers en/of initiatiefnemers die recht hebben op een “extra winstaandeel”) zwaarder te belasten. Onder de huidige wetgeving worden voordelen uit indirect gehouden lucratieve belangen slechts belast in box 2 (aanmerkelijk belangtarief) als deze in hetzelfde belastingjaar voor ten minste 95% worden doorbetaald als dividend naar de aandeelhouder/natuurlijk persoon; deze voordelen worden alsdan niet (ook) in box 1 (progressieve tarief inkomstenbelasting) betrokken als voordeel uit lucratief belang. Het kabinet stelt voor om aan te sluiten bij het tarief in box 3 en vanaf 1 januari 2026 voordelen uit indirect gehouden lucratieve belangen via een grondslag verbredende multiplier te belasten tegen een tarief van effectief maximaal 36% (tot en met 31 december 2025 geldt voor box 2 een tarief van 24,5% over de eerste € 67.804 en 31% over het meerdere). De reden voor de verhoging van het box 2-tarief voor lucratieve belangen is dat deze meer een beloning voor arbeid zouden vormen dan een vergoeding voor inleg van kapitaal. Bij een dergelijke benadering zou het naar onze mening wel zo consequent zijn geweest om in de overwegingen mee te nemen dat een lucratief belang (in tegenstelling tot andere beloningen voor arbeid) doorgaans niet tot aftrekbare kosten leidt bij de partij waarvoor de arbeid wordt verricht.

Actiepunt: Voorkom waar mogelijk dat een lucratief belang ontstaat en probeer voordelen uit lucratief belang nog gedurende 2025 in de heffing te betrekken door voordelen te realiseren en uit te keren voor 1 januari 2026 (er geldt geen eerbiedigende werking voor waarde aangroei in de periode tot de wetswijziging bij realisatie daarna).

Verlaging heffingsvrij vermogen en verhoging forfaitair rendement overige bezittingen box 3
Het kabinet stelt voor om het heffingsvrije vermogen in box 3 per 1 januari 2026 te verlagen naar € 51.396 (in 2025 is dit nog € 57.684). Daarnaast wordt voorgesteld om het forfaitaire rendementspercentage voor overige bezittingen in box 3 te verhogen naar 7,78% (in 2025 is dit nog 5,88%).

Actiepunt: Overweeg nog in 2025 (dus voor de eerstvolgende peildatum 1 januari 2026) of er gunstigere manieren zijn om overige bezittingen te houden (bijvoorbeeld in/overhevelen naar box 2).

Uitsluiten leegwaarderatio bij niet-marktconform handelende gelieerde partijen
Woningen worden in box 3 van de inkomstenbelasting en in de schenk- en erfbelasting in beginsel gewaardeerd op de WOZ-waarde. Indien woningen worden verhuurd of verpacht, wordt de WOZ-waarde onder omstandigheden verlaagd door toepassing van de leegwaarderatio. Het kabinet stelt voor om de leegwaarderatio niet langer van toepassing te laten zijn op woningen die worden verhuurd of verpacht aan een gelieerde partij tegen een niet-marktconforme prijs. Met de wijziging wordt in dergelijke gevallen (mede) bewerkstelligd dat niet langer een beroep kan worden gedaan op jurisprudentie van de Hoge Raad op grond waarvan verhuurde woningen kunnen worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer indien deze waarde 10% lager is dan de WOZ-waarde gecorrigeerd met de leegwaarderatio. Die jurisprudentie wordt voor overige gevallen in de wet opgenomen, zodat op basis van de wet reeds een beroep kan worden gedaan op een waardering in het economische verkeer die 10% of lager dan de WOZ-waarde gecorrigeerd met de leegwaarderatio.

Obligaties met aangegroeide rente in box 3
In de literatuur is opgemerkt dat belastingheffing onder omstandigheden kan worden voorkomen door in het kader van het werkelijk rendement in box 3 (de tegenbewijsregeling) vorderingen/obligaties met aangegroeide rente aan te schaffen, welke rente valt onder de vrijstelling voor zogenoemde kortlopende termijnen en zodoende niet wordt meegenomen in de waardering voor box 3 per 1 januari. Daardoor ontstaat er ten opzichte van het aankoopbedrag een verlies in box 3, waarmee dan naar believen het werkelijke rendement in box 3 kan worden verlaagd. Het kabinet beoogt dit ongewenste gevolg te verhelpen. Met ingang van 1 januari 2026 is met terugwerkende kracht tot 25 augustus 2025, 16:00 uur, slechts nog de aangegroeide rente op banktegoeden/-deposito’s vrijgesteld. Obligaties, vorderingen en vergelijkbare effecten worden in dit kader gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer (dus inclusief aangegroeide rente). Voor bezittingen en schulden die al voor 25 augustus 2025, 16:00 uur, tot het box 3-vermogen zijn gaan behoren, blijven de oorspronkelijke regels van toepassing.

Reeds eerder vastgestelde wijzigingen per 1 januari 2026

Investeringsdiensten in de btw
Vanaf 1 januari 2026 wordt de btw-herzieningsregeling uitgebreid naar investeringsdiensten met betrekking tot onroerende zaken, die bijvoorbeeld zien op renovatie-, vervangings-, onderhouds- en herstelwerkzaamheden. Dit betekent dat de btw op deze diensten gedurende (maximaal) vijf jaar wordt gevolgd, vergelijkbaar met de regeling voor roerende investeringsgoederen. Er geldt een drempelbedrag van € 30.000, waardoor kleinere diensten niet onder deze regeling vallen. Met deze wijziging wordt beoogd om zogenaamde “short stay” verhuur situaties (zie ook hierna) minder aantrekkelijk te maken. Het gaat dan bijvoorbeeld om kantoren die worden verbouwd tot woningen zonder dat die verbouwing leidt tot nieuw vastgoed voor de btw. Op grond van de huidige wetgeving is btw-belaste gemeubileerde “short stay” verhuur gedurende enkel het jaar van ingebruikname voldoende om definitieve btw-aftrek te realiseren. Dat gaat dus vanaf 1 januari 2026 veranderen.

Actiepunt: Probeer verbouwingen tot/van woningen die niet leiden tot nieuwbouw voor de btw die u in eerste instantie “short stay” wenst te verhuren nog in 2025 af te ronden en in 2025, tot jaareinde, btw belast “short stay” te verhuren.

Afschaffing verlaagd btw-tarief voor logies
Vanaf 1 januari 2026 wordt het verlaagde btw-tarief van 9% voor logies afgeschaft en geldt het reguliere tarief van 21%. Dit geldt niet alleen voor hotels en pensions, maar bijvoorbeeld ook bij kortdurende verhuur van gemeubileerde kamers en woningen (“short stay“), volledig ingerichte tenten en mobilhomes, gemeubileerde woningen aan een short-stay-organisatie die de woning doorverhuurt en accommodaties voor bijvoorbeeld asielzoekers of dak- en thuislozen. Voor kamperen blijft het verlaagde btw-tarief van 9% gelden.

Let op: Het btw-tarief op het moment van de prestatie is van toepassing. Als bijvoorbeeld nog dit jaar betalingen worden ontvangen voor overnachtingen die pas in 2026 zullen plaatsvinden, is hierover nu al 21% btw verschuldigd. Ook bij boekingen die worden verplaatst van een datum in 2025 naar een datum na 31 december 2025 is (alsnog) 21% btw verschuldigd. Actiepunt: Breng bij overnachtingen die plaatsvinden na 31 december 2025 21% btw in rekening.

Tarief overdrachtsbelasting voor niet-eigen woningen
Het kabinet streeft naar een uitbreiding van het aanbod aan huurwoningen, zodat meer mensen toegang krijgen tot betaalbare huisvesting. In dit kader wordt het reguliere tarief van de overdrachtsbelasting voor de aankoop van woningen per 1 januari 2026 verlaagd van 10,4% naar 8%. Voor woningen die door de koper voor langere tijd als hoofdverblijf worden gebruikt, blijft het verlaagde tarief van 2% of de startersvrijstelling gelden.

Actiepunt: Stel zo mogelijk verkrijgingen van woningen, niet zijn zijnde de eigen woning, uit tot na 31 december 2025. Aandachtspunt bij een dergelijk uitstel is onder meer dat overdrachtsbelasting verschuldigd is over de waarde van de woningen danwel de hogere tegenprestatie. Bij een waardestijging gedurende het uitstel van de levering kan dus de basis waarover overdrachtsbelasting wordt geheven toenemen.

Voordeel wegens eigen gebruik onroerende zaken box 3
De Hoge Raad heeft beslist dat de Belastingdienst het werkelijke rendement in box 3 moet belasten wanneer dit lager is dan het op basis van de Wet IB 2001 vastgestelde fictieve rendement. De wetgever heeft met de inmiddels in werking getreden Wet tegenbewijsregeling box 3 aangegeven op welke wijze belastingplichtigen hun werkelijke rendement in box 3 kunnen berekenen. Onderdeel van het werkelijke rendement is volgens de Hoge Raad ook het voordeel wegens eigen gebruik van (gedeelten) van onroerende zaken. Dit voordeel is volgens de Hoge Raad echter niet te kwantificeren en wordt daarom (tot en met 31 december 2025) niet belast. Vanaf 1 januari 2026 zullen voordelen uit het voor eigen gebruik ter beschikking staan van (gedeelten van) onroerende zaken echter wel worden meegerekend bij de bepaling van het werkelijke rendement als bedoeld in de Wet tegenbewijsregeling box 3. De waarde van het voor eigen beschikking staan wordt in dit kader (middels een op 1 januari in werking te treden wetsbepaling) gesteld op de economische huurwaarde per jaar, gedeeld door het aantal dagen dat de onroerende zaak de gehele dag voor eigen gebruik ter beschikking staat. Voor de economische huurwaarde kan worden aangesloten bij 5,06% van de WOZ-waarde.

Let op: Niet relevant is of de onroerende zaak daadwerkelijk voor eigen gebruik wordt aangewend. Voldoende is dat de onroerende zaak voor eigen gebruik ter beschikking staat (bijvoorbeeld bij leegstand). Hiervan is geen sprake als de onroerende zaak wordt verhuurd of verpacht, in aanbouw is of onbruikbaar is door een brand of een verbouwing.

Actiepunt: Voorkom zoveel als mogelijk dat box 3-vastgoed na 31 december 2025 voor eigen gebruik ter beschikking staat door leegstand, terwijl overigens het ter beschikking staan niet wordt beperkt (o.g.v. contractuele afspraken). Te betwijfelen valt overigens of belastingheffing op basis van deze regeling een rechterlijke toets zal doorstaan. Overweeg daarom bezwaar aan te tekenen tegen aanslagen waarin het werkelijke rendement (mede) bestaat uit het voor eigen gebruik ter beschikking staan (bij leegstand) van een onroerende zaak.

Behoefte aan nader advies?

Aarzel niet en neem contact met ons op!

René Maat

ram@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 84

Ton Oostenrijk

ajo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 83

De Cuserstraat 93

1081 CN Amsterdam

 

Postbus 75638

1070 AP Amsterdam

T +31 20 573 03 60

 

info@rechtstaete.nl

www.rechtstaete.nl

 

Luc van Dijk

lvd@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 97

Léon Borkes

lbo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 98

Beer van den Broek

bvb@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 66

Natasha Konings

nko@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 68

Dick van der Pal

dvp@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 39

Matthijs Monteban

mmo@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 90

Rick Philips

rph@rechtstaete.nl

+31 20 573 03 69 

 

 

 

 

Een veelkoppig fiscaal monster

Woensdagmorgen in alle vroegte en natuurlijk ruim voordat ….. lees verder: 20250717 Een veelkoppig fiscaal monster column PNL AJO

Anticiperen op box 3 heffing op basis van het werkelijke rendement

De langverwachte overgang naar een box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement lijkt eindelijk vorm te krijgen … lees verder: Anticiperen op box 3

Definitieve aanslag inkomstenbelasting 2021 (of latere jaren) ontvangen? Maak bezwaar!

Binnenkort zult u, als u vermogen in box 3 heeft aangegeven, waarschijnlijk de definitieve aanslag inkomstenbelasting over 2021 ontvangen. Lees verder: RotterdamseVGW 2025