Op grond van de connexiteitsleer wordt een onroerende aanhorigheid — zoals een opslag-, kantoor- of parkeerruimte — aangemerkt als middenstandsbedrijfsruimte indien deze naar haar aard en feitelijk gebruik dienstbaar is aan een hoofdruimte die als zodanig kwalificeert. Dit betekent dat de opslagruimte het huurregime van de winkelruimte volgt, ook wanneer partijen een ander regime voor ogen hadden.
Doorslaggevend is niet de contractuele kwalificatie, maar de feitelijke samenhang en functionele verbondenheid. Bij voldoende connexiteit geniet de opslagruimte dezelfde huurbescherming als de winkelruimte, met alle daarbij behorende rechten en verplichtingen.