Direct naar inhoud

Inzichten

Fiscale actualiteiten

Inzichten

30 december 2025

5 minuten leestijd

Consultatiedocument nieuwe definitie fonds voor gemene rekening (FGR) en wijzigingen Besluit onroerende zaken omzetbelasting

In december 2025 is een internetconsultatie gestart over de (nieuwe) definitie van het FGR. In dit kader is een conceptwetsvoorstel gepubliceerd waarin, naast een definitiewijziging, onder meer een afmeldregeling (van het zijn van FGR) wordt voorgesteld. Daarnaast is het Besluit onroerende zaken omzetbelasting op meerdere onderdelen te wijzigen. In deze bijdrage lichten wij beide ontwikkelingen toe.

Voorstel wijzigen definitie FGR

Per 1 januari 2025 is de definitie van het FGR gewijzigd. Als gevolg hiervan kunnen samenwerkingsverbanden die tot dan toe fiscaal transparant waren – zoals commanditaire vennootschappen – hun fiscale transparantie verliezen en zelfstandig belastingplichtig worden voor de vennootschapsbelasting.

Aangekondigd is dat de FGR-definitie mogelijk opnieuw zal worden aangepast, op zijn vroegst per 1 januari 2027. Voor fondsen die op of na 1 januari 2025 op grond van de huidige wetgeving als FGR zouden kwalificeren, geldt tijdelijk overgangsrecht. Onder voorwaarden worden deze fondsen gedurende de overgangsperiode niet als FGR aangemerkt, totdat een nieuwe definitie in werking treedt.

Op 15 december is een internetconsultatie gestart over de mogelijke definitiewijziging van het FGR. In het bijgevoegde wetsvoorstel kunnen zowel fondsen met rechtspersoonlijkheid als fondsen zonder rechtspersoonlijkheid als FGR kwalificeren. Indien een fonds voldoet aan de FGR-definitie, kan het volgens het wetsvoorstel onder voorwaarden verzoeken om niet als FGR te worden aangemerkt (de ‘afmeldregeling’). Alsdan is het fonds niet zelfstandig belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. De afmeldregeling werkt door naar de inkomstenbelasting, dividendbelasting en de bronbelasting.

De voorwaarden voor toepassing van de afmeldregeling zijn:

het fonds heeft ten hoogste 20 participanten (doorlopende toets);

het fonds voldoet bij indiening van het verzoek aan de in het wetsvoorstel opgenomen informatieverplichtingen; en

de afmeldregeling kan per fonds slechts eenmaal worden toegepast. Indien een eerder toegepaste afmeldregeling is geëindigd, kan het fonds niet opnieuw een verzoek indienen.

Voor in Nederland gevestigde fondsen geldt dat het verzoek uiterlijk moet worden ingediend in het jaar waarin het fonds op grond van de wet als FGR zou worden aangemerkt.

Indien het wetsvoorstel in de huidige vorm wordt ingevoerd, bestaan er voor (vastgoed)fondsen in essentie twee mogelijkheden om fiscaal transparant te zijn of te blijven:

structurering als een zogenoemd inkoopfonds, waarbij participaties uitsluitend aan het fonds zelf kunnen worden vervreemd; of

toepassing van de afmeldregeling.

Advies

Wij adviseren fondsen om tijdig rekening te houden met deze voorgestelde wetswijziging (door ontwikkelingen in de gaten te houden) en om waar mogelijk en/of gewenst fondsen zodanig in te richten dat gebruik zou kunnen worden gemaakt van de afmeldregeling.

Besluit onroerende zaken omzetbelasting

Op 17 december 2025 is een wijzigingsbesluit van het Besluit onroerende zaken omzetbelasting gepubliceerd. Onderstaand bespreken wij de belangrijkste wijzigingen.

Gebouw

De passage waarin was opgenomen dat een constructie die onderdeel vormt van een nog te bouwen gebouw (zoals een fundering) reeds als gebouw kwalificeert, is vervallen. Dergelijke constructies kwalificeren daardoor niet langer automatisch als gebouw voor btw-doeleinden. Bij onroerende zaken die zich in een vroeg stadium van realisatie bevinden, dient voortaan zelfstandig te worden beoordeeld of reeds sprake is van een gebouw (er kan dus geen vertrouwen meer worden ontleend aan het besluit).

Eerste ingebruikneming

Het standpunt dat reeds sprake is van eerste ingebruikneming zodra feitelijke handelingen worden verricht in een ruimte (bijvoorbeeld door een huurder die de ruimte gereedmaakt voor gebruik) met het oog op duurzaam gebruik overeenkomstig de objectieve bestemming, is geschrapt. Voortaan lijkt aldus minder snel sprake van een eerste ingebruikname bij het verrichten van werkzaamheden om het gehuurde gereed te maken voor het beoogde gebruik.

In wezen nieuwbouw

Het besluit benadrukt dat het arrest Promo 54 (C-239/22) van het Hof van Justitie van de Europese Unie geen wijziging aanbrengt in het bestaande criterium voor ‘in wezen nieuwbouw’: alleen ingrijpende wijzigingen in de bouwkundige constructie van een onroerende zaak – waaronder vervanging van (een deel van) de bestaande constructie – kunnen er (volgens de Hoge Raad) toe leiden dat een verbouwing resulteert in een gebouw dat voor de btw als nieuw moet worden aangemerkt.

Koop-/aannemingsovereenkomsten

In het besluit is verduidelijkt hoe koop-/aannemingsovereenkomsten die leiden tot de levering van een (nieuw) gebouw btw-technisch moeten worden behandeld. Onderstaand bespreken wij een aantal overwegingen uit het besluit.

Indien de levering van de grond en de realisatie van het gebouw plaatsvinden door dezelfde belastingplichtige (waaronder een fiscale eenheid), kunnen deze handelingen gezamenlijk één btw-prestatie vormen. Indien de overdracht van de grond en de daarop gerealiseerde nieuwbouw (al dan niet in combinatie met sloop van bestaande bebouwing) één prestatie vormen, kwalificeert deze prestatie als de levering van een nieuw gebouw. De prestatie wordt geacht plaats te vinden op het moment van oplevering van het nieuwe gebouw.

De overdracht van de grond kan ook plaatsvinden via de vestiging of overdracht van een erfpachtrecht. Ook in dat geval is sprake van één prestatie: de levering van een nieuw gebouw bij oplevering. De btw-belaste vergoeding omvat zowel de totale aanneemsom als de totale vergoeding voor het erfpachtrecht.

(Gedeeltelijke) sloop van een gebouw

Volledige sloop van een gebouw resulteert in onbebouwde grond. Ook bij gedeeltelijke sloop is sprake van onbebouwde grond indien het resterende deel geen functie van gebouw meer kan vervullen. Dit geldt ook voor percelen waar zich uitsluitend nog oude heipalen bevinden, ongeacht of deze palen een functie vervullen voor een toekomstige nieuwbouw, aldus het besluit.

Verhuur van congres-, vergader- of tentoonstellingsruimte

Het besluit bevat een goedkeuring op grond waarvan congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte btw-belast kan worden verhuurd zonder dat hoeft te worden geopteerd. Middels het wijzigingsbesluit is nu opgenomen dat de verhuurder de betreffende ruimte daarnaast ook voor andere doeleinden mag gebruiken. Dit doet geen afbreuk aan de toepassing van de goedkeuring, mits de betreffende huurders de ruimte uitsluitend gebruiken als congres-, vergader- of tentoonstellingsruimte.

Advies

Het Besluit onroerende zaken omzetbelasting biedt veel duidelijkheid, maar geeft daarbij wel de visie van het Ministerie van Financiën weer. Neem daarom bij onder meer aan- en verkopen, aan- en verhuur, project- en herontwikkeling altijd vooraf contact met ons op.


Gerelateerde inzichten

6 minuten leestijd


03 april 2026

Voorkomen van belastingrente bij aanslagen IB/VPB over het (boek)jaar 2025

Door tijdig in actie te komen kan de verschuldigdheid van belastingrente worden voorkomen.

Bij het opleggen van een aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting kan de Belastingdienst belastingrente in rekening brengen. Belastingrente wordt – kort gezegd – in rekening gebracht indien een te betalen belastingbedrag ‘te laat’ wordt vastgesteld. In deze nieuwsbrief gaan wij in op de stappen die genomen kunnen worden om belastingrente over de te betalen inkomsten- en/of vennootschapsbelasting over het (boek)jaar 2025 te voorkomen. Het belang daarvan is groot, omdat de rentetarieven waarmee de Belastingdienst rekent aanzienlijk zijn.

A. Belastingrente vennootschapsbelasting

Belastingrente kan verschuldigd worden over het bedrag aan te betalen belasting vermeld op aanslagen vennootschapsbelasting over het (boek)jaar 2025, die worden opgelegd na 30 juni 2026. Het rentepercentage bedraagt 5% (2026).

De periode waarover belastingrente in rekening kan worden gebracht, loopt van 1 juli 2026 tot uiterlijk 6 weken na de dagtekening van de opgelegde aanslag.[1] Ingeval van een gebroken boekjaar, loopt de periode waarover de rente wordt berekend van de eerste dag van de zevende maand volgende op het einde van het boekjaar tot uiterlijk 6 weken na de dagtekening van de aanslag.

A1. Voorkomen van te betalen belastingrente vennootschapsbelasting

Belastingrente wordt voorkomen door vóór 1 juni 2026 een aangifte over het (boek)jaar 2025 in te dienen. Als het boekjaar verschilt van het kalenderjaar, moet dit worden gedaan vóórdat 5 maanden na het einde van het gehanteerde boekjaar zijn verstreken. Belastingrente wordt alleen voorkomen als de Belastingdienst niet afwijkt van de ingediende aangifte.

Voorbeeld 1[2] De aangifte over het (boek)jaar 2025 wordt vóór 1 juni 2026 gedaan. De (voorlopige) aanslag wordt conform de ingediende aangifte opgelegd. Omdat hier aangifte is gedaan vóór 1 juni 2026 en de gegevens uit de aangifte zonder wijzigingen zijn overgenomen, is er geen belastingrente verschuldigd.

Voorbeeld 2 De aangifte over het (boek)jaar 2025 wordt op 23 juni 2026 gedaan. Hierna wordt een (ten opzichte van de aangifte) ongewijzigde aanslag opgelegd met dagtekening 6 augustus 2025. Hier wordt wel belastingrente in rekening gebracht over de periode 1 juli 2026 tot en met 17 september 2026 (6 weken na dagtekening van de aanslag), omdat niet vóór 1 juni 2026 aangifte is gedaan.

Belastingrente kan ook worden voorkomen door vóór 1 mei 2026 een (additionele) voorlopige aanslag over het (boek)jaar 2025 aan te vragen, mits de Belastingdienst de (voorlopige) aanslag niet oplegt tegen een hoger (te betalen) bedrag.

Voorbeeld 3 Op 25 april 2026 wordt om een voorlopige aanslag over het (boek)jaar 2026 of een wijziging van een eerder opgelegde voorlopige aanslag over het (boek)jaar 2026 verzocht, waarna een voorlopige aanslag met dagtekening 1 september 2026 wordt ontvangen. Als de gegevens uit het verzoek om een voorlopige aanslag ongewijzigd zijn overgenomen, wordt geen belastingrente verschuldigd, omdat al vóór 1 mei 2026 een verzoek om een voorlopige aanslag is ingediend.

A2. Bezwaar maken tegen belastingrente vennootschapsbelasting

Op 16 januari 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan omtrent de cassatieprocedure over het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het verhoogde belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting in strijd is met het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel en daarom niet mag worden toegepast.

Dit betekent dat de voorheen gehanteerde rentepercentages buiten beschouwing moet blijven en dat voor de vennootschapsbelasting moet worden aangesloten bij het rentepercentage dat geldt voor de overige belastingen. Voor 2026 bedraagt deze 5%.

Voor de belastingplichtigen die tegen de opgelegde definitieve aanslagen bezwaar hebben ingediend (en waarbij dit bezwaar is aangewezen onder de massaalbezwaarprocedure) is inmiddels ook collectief uitspraak op bezwaar gewezen door de Belastingdienst. Belastingplichtigen ontvangen binnen 6 maanden na de collectieve uitspraak automatisch een vermindering van de belastingrente, waarbij het regulier rentepercentage wordt toegepast.

Voor belastingplichtigen die nog geen bezwaar hebben gemaakt is het raadzaam om de aanslagen en de rentebeschikking te controleren. Indien een onjuist (te hoog) rentepercentage is gehanteerd, kan nog bezwaar worden gemaakt, mits de aanslag open staat voor bezwaar. Daarbij geldt dat het bezwaar binnen 6 weken na dagtekening van de aanslag moet worden ingediend.

Indien belastingrente in rekening wordt gebracht op een voorlopige aanslag staat de route van bezwaar nog niet open aangezien nog geen sprake is van een formele rentebeschikking. Indien gewenst kunt u de Belastingdienst wel verzoeken om de voorlopige aanslag met betrekking tot de rente te herzien. Dit verzoek kan worden ingediend tot uiterlijk zes weken na dagtekening van de definitieve aanslag vennootschapsbelasting over het betreffende jaar.

B. Belastingrente inkomstenbelasting

Indien aangifte inkomstenbelasting over het (boek)jaar 2025 wordt gedaan op of na 1 mei 2026, kan belastingrente in rekening worden gebracht vanaf 1 juli 2026 tot uiterlijk 6 weken na de dagtekening van de opgelegde aanslag.[3] Het percentage van de belastingrente bedraagt 5% (2026).

Gelet op het (relatief hoge) rentepercentage van 5% voor de inkomstenbelasting, bestond de vraag of ook dit percentage mogelijk onverbindend zou worden verklaard. Uit de Hoge Raad uitspraak is echter gebleken dat dit niet het geval is. De bezwaren tegen de belastingrente voor de inkomstenbelasting zijn ongegrond verklaard en de Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit rentepercentage niet in strijd is met de algemene rechtsbeginselen.

B1. Voorkomen van te betalen belastingrente inkomstenbelasting

Door vóór 1 mei 2026 aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2025 te doen of vóór die datum te verzoeken om een voorlopige aanslag over het jaar 2025, kan worden voorkomen dat belastingrente verschuldigd wordt, mits de Belastingdienst de uiteindelijke/definitieve aanslag niet tegen een hoger (te betalen) bedrag oplegt.

C. Invorderingsrente

Naast belastingrente kan ook invorderingsrente in rekening worden gebracht als de belasting te laat (normaliter vanaf de eerste dag gelegen 6 weken na dagtekening van de aanslag) wordt betaald. Deze rente loopt door tot de dag waarop de belastingschuld wordt voldaan. Het percentage bedraagt 4,3% (2026).

Let op

Controleer ruim vóór 1 mei of er een voorlopige aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting is opgelegd naar het (te verwachten) belastbaar inkomen of de winst van uw B.V. over het (boek)jaar 2025. Indien dit niet het geval is – of indien deze aanslag te laag is vastgesteld – wordt belastingrente voorkomen door vóór 1 mei 2026 een voorlopige aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting aan te (laten) vragen. Van belang daarbij is dat het verwachte inkomen en/of winst reëel wordt ingeschat, maar in ieder geval niet te laag om te betalen rente te voorkomen.

Indien u wenst dat wij u bijstaan bij het aanvragen van een (additionele) voorlopige aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting voor het (boek)jaar 2025, ontvangen wij graag uiterlijk medio april a.s. de relevante cijfers.

[1] Bij een navorderingsaanslag volgend op een definitieve aanslag, wordt mogelijk ook belastingrente in rekening gebracht. De renteperiode loopt dan van 1 juli 2026 tot 1 maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.

[2] Aangepaste voorbeelden; origineel afkomstig van de website van de Belastingdienst.

[3] Bij een navorderingsaanslag volgend op een definitieve aanslag, wordt mogelijk ook belastingrente in rekening gebracht. De renteperiode loopt dan van 1 juli 2026 tot 1 maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.

Lees meer
Belastingrente
Fiscaal
IB